Filmmaker D.A. Pennebaker was vlieg op de muur bij Bob Dylan en Bill Clinton

D.A. Pennebaker 1925-2019 Of het nu de presidentscampagne van Bill Clinton was, of een concert van Bob Dylan, D.A. Pennebaker legde zijn onderwerp vast zonder daarbij commentaar te geven. Pennebaker was de belangrijkste chroniqueur van de tegencultuur van de jaren zestig, maar hield daar niet op.

D.A. Pennebaker in het jaar 2000 zijn montagestudio met op de achtergrond archiefbeelden van Bob Dylan. Popmuziek en politiek vormden een rode draad in zijn werk.
D.A. Pennebaker in het jaar 2000 zijn montagestudio met op de achtergrond archiefbeelden van Bob Dylan. Popmuziek en politiek vormden een rode draad in zijn werk. Foto Kathy Willens / AP

Met onze overvloed aan reality-tv-programma’s, livestreams, webcams, en de alomtegenwoordigheid van de digitale camera’s van de ‘broadcast yourself’-generatie is het bijna niet meer voor te stellen hoe revolutionair het ooit was: gewoon een camera oppakken en mensen gaan filmen. Kijken naar het alledaagse. Als een vlieg op de muur. En daar dan een documentaire uit monteren. Zonder voice-over of ander commentaar. En niet zomaar documentaires.

Wat een grandioos observator was de afgelopen donderdag in zijn woning in het New Yorkse Long Island op 94-jarige leeftijd overleden D.A. Pennebaker. Hoe hadden we ons de tegencultuur van de jaren zestig zonder zijn ogen, zijn camera, zijn lens moeten herinneren? De vijftigste verjaardag van Woodstock wordt deze weken gevierd met een nieuwe extra lange versie van de beroemde film die er over het muziekfestival werd gemaakt. Maar ‘Penny’ was er al eerder bij. In Monterey. Toen Jimi Hendrix en Janis Joplin ook al optraden. Muziekfilm Monterey Pop (1968) zou meer nog dan Woodstock (1970) de toon zetten voor elke concertfilm die daarna werd gemaakt, met backstage-beelden, uitzinnige fans, mensenmassa en intieme miniatuurportretjes van bezoekers.

De op 15 juli 1925 in Illinois geboren zoon van een fotograaf maakte na een studie werktuigbouwkunde aan MIT en Yale in 1953 zijn eerste film. Daybreak Express is eerder een virtuoos visueel gedicht dan een traditionele documentaire, een monument voor de nu verdwenen New Yorkse Third Avenue metrolijn. Pennebaker draaide al het materiaal voor die korte film, op de gelijknamige muziek van Duke Ellington, in het oranje zonlicht van de ontwakende stad geheel op locatie en zonder effecten of andere poespas. Met een 16mm-camera. Handheld. Dat moest handiger kunnen.

Draagbare camera’s

Eind jaren vijftig sloot hij zich aan bij collega-filmmakers Robert Drew en Richard Leacock om handige draagbare camera’s en geluidsapparatuur te knutselen, zodat ze in navolging van hun Franse collega’s van de Cinéma Vértité de straat op konden en snel en onzichtbaar konden filmen. Hun eerste grote collectieve prestatie was Primary (1960), waarin de latere Amerikaanse president John F. Kennedy wordt gevolgd tijdens de voorverkiezingen van de Democratische Partij. De ‘Direct Cinema’ was geboren. Het was evenzeer een ideologische als een technologische revolutie. De lichte apparatuur maakte een bijna neutrale, niet-oordelende manier van kijken mogelijk. Pennebaker was geïnteresseerd in mensen. Hun gezichten. Hun gedrag. Laat dat het verhaal zijn, zou hij er bij herhaling over zeggen.

Popmuziek en politiek zouden de rode draad gaan vormen van zijn werk. Hij maakte de beroemde concertfilm Dont Look Back (1967) met Bob Dylan, waarvan de openingssequentie met het nummer ‘Subterranean Homesick Blues’ met Dylan en die kartonnen borden met steekwoorden uit de tekst meteen een videoclip avant la lettre was. Pennebaker was erbij toen David Bowie zijn laatste concert als zijn alter-ego Ziggy Stardust gaf. Hij kreeg John Lennon, Bruce Springsteen, Depeche Mode en R.E.M. voor de camera.

Presidentscampagne

Samen met zijn echtgenote Chris Hegedus met wie hij vanaf eind jaren zeventig de meeste films samen zou maken werd hij in 1994 genomineerd voor een Oscar voor Beste Documentaire voor The War Room (1993), die geheel achter de schermen van Bill Clintons presidentscampagne – „de eerste president van de rock-‘n-roll-generatie” – van 1992 werd opgenomen. De nerveuze beelden, de zenuwslopende montage, en het fanatisme op de gezichten van de medewerkers doen de titel meer dan recht. Zonder een woord commentaar geeft de film een fascinerend inkijkje in de wereld van die beroemde macht en strijd.

De afgelopen jaren waagde Pennebaker zich aan excentriekere onderwerpen: patissiers in Chicago (Kings of Pastry, 2009) of burgerrechten voor dieren (Unlocking the Cage, 2016). In 2013 kreeg hij als eerste documentairemaker een oeuvre-Oscar. Hoe de gezichten van de mensen in die latere films eveneens een röntgenfoto van de tijdgeest zullen blijken, zal de toekomst uitwijzen. Maar zijn portretten van politici en popmusici zijn explosieve tijdscapsules, die eenmaal geopend voor altijd hun kracht behouden. Zonder hem was de moderne documentaire niet mogelijk geweest.