‘Talent moet je elke dag water geven, als een plantje’

Cabaretier Jeroen van Merwijk is eigenlijk schilder en had liever voetballer willen zijn. Je moet doen wat je goed kunt, zegt hij, en waar je plezier in hebt.

Dagmar Haggenburg

Jeroen van Merwijk heeft zichzelf opgelegd dit jaar elke dag een lied te schrijven. We kunnen daarom pas afspreken rond het middaguur – dan is de tekst klaar. Even na twaalven wandelt hij het café binnen, in kleurig overhemd en op rode schoenen. De liedtekst van die dag gaat over palingvisserij.

Van Merwijk (64) is al decennialang een hard aan de weg timmerende cabaretier. Hij is vooral bekend van hilarische, bijtende en ironische liedjes in de traditie van Ivo de Wijs en Drs. P met titels als ‘Wat zijn de vrouwen groot’, ‘Dat vinden jongens leuk’ en ‘Weg met de natuur’. Hij is ook kunstschilder – voor hemzelf is hij dat in de eerste plaats. Een dag later zal hij voor de rest van de zomer naar zijn tweede huis in Frankrijk vertrekken. „Ik heb een monnikenkant, in Frankrijk zit ik tien uur per dag in mijn atelier. Ik ben dan een ander mens, veel makkelijker, liever, zegt mijn vrouw.”

Waarom dan toch ook steeds weer het podium beklimmen? Om geld te verdienen, natuurlijk, maar het extraverte vak van cabaretier lijkt hem net zo goed op het lijf geschreven. Uit zijn teksten spreekt een grote betrokkenheid met de wereld, soms vanuit zijn zelfverklaarde „ouderwetse sociaal-democratische moraal”, soms meer reflectief. Zo pleit een lied van begin dit jaar ervoor dat de seizoenen weer op tijd beginnen: „Het is van groot belang dat de verwarring wordt gestopt / Want natuur is leuk en aardig maar ik wil wel dat het klopt”.

Ook de politieke actualiteit haalt zijn dagelijkse teksten. Na de overwinningsspeech van Thierry Baudet bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart: „De uil der wijzen is gaan vliegen / Holland wordt weer groot / Ik kan slechts liegen en bedriegen / Dus ik moet dood”. De verzamelde liedjes, voorzien van muziek, worden een oudejaarsconference. Vanaf oktober gaat hij ermee het theater in.

Uw liedjes hebben vaak een moraal. Wilt u uw publiek vertellen wat goed en fout is?

„Veel van de liedteksten die ik nu schrijf zijn stijloefeningen. Wat ze uitdrukken, dat zóú je kunnen vinden. Mensen neigen het te zien als een dictaat. Nee. Ik leg elke dag een bloemetje neer. Dat bloemetje kan ook een beetje stinken.”

We komen niet te weten wat u echt vindt?

„Over belangrijke dingen schrijf ik niet op wat ik niet vind. Voor de rest vind ik het ook leuk om te jennen. Ik ben niet bang een zaal tegen me in het harnas te jagen. In mijn laatste programma speelde ik een kat, Lucky, die als een stotterende JP Coen op een naïeve manier uitlegt wat slavernij is: ‘W-w-w-eet j-j-j-e uh… wat het i-i-is? W-w-w-ij hadden in d-d-de Zeventiende Eeuw n-n-nog nooit van m-m-m-ensenrechten gehoord… Dat uh… k-k-kende je niet!’ Soms lag de zaal blauw, maar soms gingen mensen om zich heen zitten kijken: mag hij dit wel zeggen? Dan slaat de zaal stil, gaat het niet met je eens zitten zijn.”

Hoe bent u schilder geworden?

„Daar ging een diepe crisis aan vooraf. Bij ons thuis was het hoogste doel in het leven kunstenaar worden. Mijn vader, die in het onderwijs zat, kon héél goed tekenen. Ik kon het ook aardig, maar ik miste dat natuurtalent. Ik wilde niet naar de kunstacademie. Ik dacht: dat doe ik dan alleen om mijn vader een plezier te doen. Ik ging Nederlands studeren. Dat was de meest gedemocratiseerde studie die er was. Je had vier uur per week college, verspreid over twee dagen. Ik zat daar maar op mijn studentenkamer wat voor me uit te staren. Ik ben wel eens gaan zitten om 1 uur, was het ineens 4 uur. Had ik helemaal nergens aan gedacht.

„Mijn moeder kwam en haalde me van mijn kamer. Ik had een oom die schilder was, die had een atelier. Hij zei: laat hem bij mij komen, kijken of hij uit het goede hout gesneden is. Vervolgens zat ik hele dagen in mijn eentje te werken aan de opdrachten van mijn oom. Dát kon ik. Map gemaakt, fluitend aangenomen op de kunstacademie.”

Door uw aanleg te volgen ontdekte u hoe te leven?

„Ik had het geluk er op redelijk jonge leeftijd achter te komen. Op de kunstacademie waren ook anderen die aardig konden schilderen, maar zonder die innerlijke noodzaak om iets te maken. Ik heb intrinsieke lol in het maken van die dingen. Ook al is het een zware inspanning. Ga maar eens tien uur voor een doek staan. Alleen maar arceren, kruisjes maken, een week lang.”

Waar precies zit de lol in?

„Je weet niet van tevoren wat je gaat maken, je bent in constant gesprek met het schilderij. Het schilderij zegt: rechtsboven een blauw vlakje. Ik zeg: nee, linksonder een blauw vlakje. Dat blijkt dan niet te werken. Dan moet het over. Ik kan drie dagen werk wegschilderen.”

Geestdriftig: „Ik was op een expositie van Grünewald. Vijftiende, zestiende eeuw. Je ziet Jezus aan het kruis hangen. Gegeseld. Al die wondjes zijn héél minutieus geschilderd. Je ziet dat Grünewald heeft gedacht: ha, dát kunnen die anderen niet! Tegenlichtje in die huid, beetje bloed eruit gesijpeld, lichie erop.

„Veel hedendaagse schilderijen die ik zie, zijn vreugdeloos. Je kunt eraan zien dat de schilders er niets aan vinden om het te maken. Doe het dan niet, denk ik dan. Ga iets anders doen.”

Ergens goed in zijn is dus niet genoeg, je moet er ook zin in hebben. Hoe kom je erachter wat je het beste kunt doen in je leven?

„Je moet heel eerlijk naar jezelf zijn. Veel mensen vinden dat moeilijk. Ik was graag profvoetballer geworden. Ik zou nog steeds liever profvoetballer zijn dan schilder. Maar ik ben – denk ik – niet goed genoeg. Niet erg verder, maar je moet het wel weten. Omdat het je kan leren wat in diepste wezen je beweegreden is. Zodat je kunt zeggen: dit is het niet, maar het komt wel het dichtst bij.”

Hij legt uit waarom cabaret best dicht bij voetbal in de buurt komt. „Bij voetbal kan ik het spel goed lezen, ik zag openingen die een ander niet zag. Als cabaretier heb ik originele invallen. Dat is net zoiets als een goede pass verzinnen.”

Dan is er ook nog de economische realiteit. U kunt niet leven van uw schilderijen. Maakt dat u bitter?

„Niet meer. Ik verkoop aardig. Drieluiken in opdracht, bijvoorbeeld over de roman Finnegans Wake van James Joyce. En, héél groot, met de kroontjespen, over de schrijver Lodewijk van Deyssel. Ben ik drie maanden mee bezig, kost 15.000 euro. Dat is natuurlijk eigenlijk helemaal niet veel. De eerste de beste Dumas is dertig keer zo duur – en dertig keer zo lelijk.

„Natuurlijk is het heel jammer dat ik nooit erkend ben als schilder. Ik ben echt een goede schilder. En zo lopen er honderden rond. Het is een kei- en kei- en keihard vak. Cabaret net zo goed, hoor. Er zijn er maar een paar die veel verdienen.”

Van Merwijk treedt niet alleen op in het theater, hij beklimt ook geregeld de kansel voor een preek, een ‘sermoen van Jeroen’. De opdrachtgever kan kiezen uit zeven thema’s, zoals ‘de ijdelheid van kiezen’ („de grote dingen kun je niet kiezen: waar je geboren wordt, wie je broers en zussen zijn”), jaloezie („ook de voordelen daarvan”), schuld en boete („dat dat niet een idee is van de kerk maar van ons, wij hebben dat bedacht”). De preek duurt een uur.

Bent u gelovig?

„Ik ben katholiek opgevoed, maar ik geloof niet meer. Dat wil zeggen: volgens mijn moeder ben ik gelovig en volgens mijn vriend Herman Finkers ook. Ik ben niet iemand die het geloof heeft afgezworen. Ik vind ‘kunnen geloven’ een talent, ik denk dat het aangeboren is. Het is dom om erop neer te kijken.”

Wat trekt u aan in een thema als ‘schuld en boete’?

„Het idee dat je met een erfzonde wordt geboren vind ik heel goed. Dat klopt: de mislukking van je ouders wordt voortgezet in jou. Zijn je ouders blind, ben jij blind; hebben je ouders een verkeerd idee, krijg jij een verkeerd idee. En, ook heel goed: dat je door doop op je twaalfde opnieuw kunt beginnen, vrij van zonde. Goed verzonnen! Daar heb ik respect voor. Je krijgt een nieuwe kans, als je het daarna verknalt ligt het aan jou.”

Hoe ziet zo’n preek van u eruit?

„Lange zinnen, gedragen verteld, met grappen en met een zware moraal. Dat kun je in het theater niet meer doen. Mensen in het theater zijn niet geneigd om zich te geven, ze willen lachen gieren brullen. In de kerk zijn ze meer geneigd om naar dingen te luisteren waar ze het niet mee eens zijn. Ze willen iets aannemen van je, iets doen met wat je zegt. Na afloop krijg je discussies. Ze gaan ook allerlei dingen vragen: ‘mijn moeder is zo ziek, kunt u…’, dan zeg ik nee nee nee! Ik ben geen dominee, daar ben ik niet voor opgeleid. Je wordt een soort goeroe. Ik laat dat niet toe, maar als ik het wel zou doen, trappen ze erin.”

Waarom, denkt u?

„Ik denk dat veel mensen niet zo happy zijn. Ze zitten in een stramien. Ze gaan eruit door op vakantie te gaan. Of een kookeiland te nemen. Spullen kopen is een drug. Op vakantie gaan is een drug. Dan kun je nog beter iedere avond een halve liter jenever drinken. Dat doe ik na een dag hard werken. Je moet even uit de concentratie.”

Waarom is dat beter dan op vakantie gaan?

„Dat gestuiter over de wereld is heel schadelijk. Het kan best wat minder. Je hebt de moraal zelf, die heeft iedereen. Je weet van nature: het is niet goed om iemand te beroven, in elkaar te slaan, te verkrachten. Iedereen weet ook: het is onzin om voor dertig euro in een vliegtuig te stappen en je in Rome in plaats van Nederland vol te gieten met witte wijn. Maar zeg je: ‘wat ben je aan het doen’, dan worden mensen boos. Dan ben je de moralist.

„Of ze zeggen: jij hebt makkelijk praten, jij hebt dat talent. Dat is een omkering van zaken. Ik doe iets met mijn talent. Talent kan dichtslibben. Je moet het elke dag water geven, als een plantje. Nulla dies sine linea, ‘geen dag zonder lijn’. Wie zei dat, Horatius? [Apelles, blijkt, een Griekse schilder uit de vierde eeuw voor Christus. In de woorden van Plinius de Oudere.] Je moet elke dag een regel schrijven. Niet vijf jaar niet. Dan kan je het niet meer. Hoe meer je maakt, hoe meer je maakt. Hoe meer je schrijft, hoe meer je schrijft.”

Wat wilt u bereiken met uw preken?

„Mensen op andere gedachten brengen. Een beetje de kussens opschudden. Veel mensen zijn zulke trútten. Zo benepen. Zoekend op plekken waar het net niet zit.”

Wat wilt u met een schilderij teweegbrengen?

„Je hoopt dat mensen er net zoveel plezier van hebben als jij hebt gehad bij het maken. Een goed schilderij zit een beetje in de weg. Het hangt in de kamer en zit een beetje te fucken. Het moet iets met je doen. Pijn doen. Niet per se, het kan ook schoonheid zijn. Beleving van herkenning. Lol. Ik was een keer bij een tentoonstelling van Ingres, dertig portretten. Elk daarvan was een stomp in mijn maag. Zo goed geschilderd, zo goed gemaakt. Daar moet je schilder voor zijn om dat te zien.”

Bedoelt u dat het van je aanleg afhangt of je zo’n ervaring kunt hebben?

„Je kunt overal inspiratie vinden hè, niet alleen in de schilderkunst. Maar als je dat talent hebt, beeldend talent, kun je het zien. Dan kan een bepaald blauw, een bepaald oranje, en dat bij elkaar, emoties teweegbrengen. Daar kun je niets over zeggen. Dat ís. Omdat ik een schilder ben, kan ik dat zien. Dat is een vervulling. Net als landschappen. Een rivierenlandschap kan mij enorm ontroeren. Of: Noord-Holland, als het licht op het land valt, heel dramatisch. Die verre einder. Veel water. Daardoor veel water in de lucht. Dat houdt licht vast, dat gaat tintelen. Dat is er nog steeds. Niet kapot te krijgen, met geen fabriek of kerncentrale. Ik vind weerspiegeling iets ongelooflijk moois.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.