Soms maken zeearenden een puinzooi, voor de lol

Wat wil het dier? Wie dagelijks met dieren werkt, leert ze écht kennen. Deze week: de boswachter en de zeearend.

‘Dat die mensen dat nou helemaal niet zien, hè”, zegt boswachter Thomas van der Es grinnikend. „Er vliegen drie enorme zeearenden voorbij, en zij smeren zich nog eens rustig in.”

Het is eind juli en stralend weer. We liggen in een bootje van Staatsbosbeheer in een smalle kreek in de Biesbosch. Vóór ons ligt een afgesloten natuurgebied. Achter ons liggen drie plezierbootjes, waar kinderen joelend vanaf springen. Wij zijn nog enigszins beduusd: drie reusachtige roofvogels vlogen net met machtige vleugelslag laag over het water, en streken neer in een flinke wilg een eindje verderop. „Twee oudervogels”, zegt Van der Es geroutineerd, „bruin met witte staart. En een jong, met roodbruine rug en donkere staartpunten.”

Zestien broedparen

Zeearenden zijn in Nederland een zeldzame verschijning. In 2006 broedden hier de eerste, misschien voor het eerst in de geschiedenis. Dat was in de Oostvaardersplassen. Sindsdien volgden er nesten in onder meer het Lauwersmeergebied, de Biesbosch en de Randmeren. De teller staat nu op zestien broedparen.

We hebben mazzel dat ze net voorbijvlogen. „Voor hetzelfde geld zitten ze de hele dag ergens verstopt in een boom.” Nu hebben we kunnen zien waar ze landden. Met de telescoop kunnen we ze goed bekijken. Een forse kop met een imposante gele haaksnavel. Joekels van vleugels, netjes opgevouwen maar soms even glorieus zichtbaar tijdens het poetsen. Een relatief korte staart, krachtige gele poten.

„Ah, ze laten zich uit de boom vallen. Kijk, kijk, kijk! Nu zitten ze op de grond. Misschien ligt daar een prooi. Kijk ze eens rondstappen. Net een stel kalkoenen. Zie ik nou toch twee jongen..? Nee wacht, die ene is toch een adult.”

Twee jongen kwamen er dit jaar uit het ei, hier even verderop. Vandaag zien we er maar één. „De jongen zijn nu vijftien, zestien weken oud”, vertelt Van der Es. „Vanaf een week of twaalf gaan ze met de ouders mee op jacht.” De dagindeling wisselt, aldus de boswachter. „In de Biesbosch lijkt zelfs het getij er invloed op te hebben. Met laagwater komen vogels en vissen foerageren in het laatste beetje ondiep water. Dat zijn goede jachtcondities.” Het is helemaal ideaal als dat laagwater samenvalt met de schemer: dan komen er veel watervogels slapen. „Een prima moment voor een verrassingsaanval.”

De jongste boswachter

Van der Es (1986) zwierf als kleine jongen al met een verrekijker door de Brabantse Biesbosch. Op zijn 21ste werd hij hier ‘de jongste boswachter van Nederland’. „Ik woonde ook in het gebied”, vertelt hij. „Op een avond ging ik met hoogwater nog even varen. Dat was najaar 2011. Toen ontdekte ik boven een kreek een enorm nest. Wel erg groot voor een haviksnest, dacht ik. De volgende dag ging ik nog eens kijken: twee zeearenden op het nest. Dat was het eerste broedpaar in de Biesbosch. Daar ben ik wel trots op, dat ik dat heb ontdekt.”

Sindsdien broeden hier elk jaar zeearenden – sinds 2014 ook een paartje in de Dordtse Biesbosch. „Dat is wel een mooie constatering: dat die beesten doen wat ze moeten doen. Dat het wérkt, wat wij bedenken”, zegt Van der Es.

Daarmee doelt hij op de recente ontwikkeling van grootschalige ‘nieuwe natuur’, niet alleen in de Biesbosch maar ook elders in Nederland. De aanleiding waren de overstromingen in de jaren negentig. Toen kwamen er landelijke projecten om de grote rivieren meer ruimte te geven, onder meer door polderland ‘terug te geven aan de natuur’. „Zoals hier”, vertelt de boswachter. „Hier stonden eerst suikerbieten en aardappels. Nu is het een fantastisch nat natuurgebied met plassen, kreken en slikplaten. Kraakhelder stilstaand water, vol karpers en brasem. Tienduizenden watervogels. Dit is voor zeearenden een paradijs.”

Een iconische soort

Is de zeearend de kroon op die nieuwe natuur? „Het gaat natuurlijk niet om die ene soort”, zegt Van der Es. „Het gaat om het hele systeem. Maar de zeearend helpt absoluut om mensen mee te krijgen in je plannen. Het is toch een iconische soort.”

En ja, hij heeft er zelf wel een zwak voor. „Dat moment dat je voor het eerst die koppies boven het nest ziet uitsteken”, glimlacht hij, „of een zeearend een gans uit het water ziet plukken. Een machtig gezicht. Als er arenden in je gebied zitten, dan gebeurt er wat. Dan jagen ze zo even vijfduizend ganzen de lucht in, ook als ze niet op jacht zijn. Volgens mij doen ze dat gewoon voor de lol. Even een grote puinzooi maken.”

We bezoeken ook het broedpaar in de Dordtse Biesbosch. Vanaf een dijkje kijken we uit over een grote plas met honderden grauwe ganzen, wintertalingen, krakeenden, een paar lepelaars, een kemphaan. En ja hoor: aan de overkant, in een hoge populier, zitten twee majestueuze vogels. „Je hoort het ook aan de ganzen, hè? Die zijn heel onrustig.”

Hemelsbreed nestelen deze arenden nog geen tien kilometer bij hun Brabantse buren vandaan. „De paren hebben regelmatig mot met elkaar, vooral in de winter. Dan houden ze territoriumgevechten. En je hoort ze steeds luidkeels naar elkaar roepen.” In de zomer is het rustiger; dan concentreren ze zich op hun jongen. Door mensen laten ze zich nauwelijks benaderen. „Daarom is rust in het gebied zo belangrijk.”

Een van de arenden spreidt zijn vleugels, ruim twee meter breed, en wiekt dan statig weg richting het nest in de verte. De lage avondzon schijnt op zijn haast blonde kop en snavel. Van der Es kijkt de vogel zwijgend na. „Mooi toch?” zegt hij dan. „Er is vaak veel weerstand tegen die nieuwe natuur. Maar als mensen dit zien, vinden ze het schitterend.”