Opinie

Precies of rekkelijk: een necrologie van de dagelijkse factcheck-rubriek

De ombudsman

Het ging al een tijdje niet zo goed. Gedoe, vaak geen zin, soms ruzie. Het verzuim nam ook toe, dat was een veeg teken. Collega’s begonnen te praten. Er gingen geruchten over een burn-out.

Toen kwam het einde. In juni viel het doek voor ‘NRC checkt’, waarin de redactie een opmerkelijke, feitelijke bewering toetst. Die rubriek maakte in 2012 zijn debuut in nrc.next, toen geleid door de media-kritische jonge filosoof Rob Wijnberg. De middagkrant nam het idee over, en besloot later tot een dagelijks ritme.

Dat lag voor de hand, want een factcheck-rubriek is niet alleen vaak leuk om te lezen, maar vergroot ook de betrouwbaarheid van een krant. Althans, dat is het idee. Wij gaan na hoe het zit!

Waarom er dan mee stoppen?

Het bleek steeds lastiger, aldus de hoofdredactie, om in het kielzog van de ‘gewone’ verslaggeving – waarin, als het goed is, vol-continu beweringen worden gecheckt – elke dag een bewering te vinden die zich bij uitstek leende voor de rubriek. Redacteuren begonnen het als corvee te ervaren. En dan waren er de kentheoretische problemen: het eindeloze geharrewar wanneer het oordeel nu precies ‘waar’, ‘grotendeels waar’, ‘ongefundeerd’ of ‘niet te checken’ zou moeten zijn.

Over dat laatste kan ik meepraten, want sprekers die hun bewering achteraf gekielhaald vonden, deden geregeld bij mij hun beklag. Soms terecht, soms niet. Summum: een hoogleraar die had bedacht dat hij zijn – als onwaar beoordeelde – bewering (over de macht van de Turkse president) anders had bedoeld dan de checker – en hijzelf – in eerste instantie hadden begrepen. Onbegrijpelijk genoeg begreep de Raad voor de Journalistiek wat hij bedoelde, en gaf hem gelijk. Bizar, vond – en vind – ik.

Het goede nieuws: helemaal dood is de factcheck ook weer niet. De dagelijkse rubriek is verdwenen (ik kreeg geen lawine rouwpost van lezers), maar besloten is dat blokjes met een factcheck als los instrument kunnen worden gebruikt als het nieuws erom vraagt. Zie de nuttige live controles die de redactie deed bij de laatste grote verkiezingsdebatten. Het stramien is losgelaten, maar de check leeft nog.

Nou ja, een beetje. Sinds het verscheiden van de rubriek zag ik er drie los rondlopen: over rijstroken tegen fileleed (onwaar), over studenten die niet profiteren van universitaire vermogens (ongefundeerd) en over de reuzenteek die je honderd meter achterna kan zitten (grotendeels waar). Dat kan, ondanks de teek, nog wel een tikje urgenter.

Intussen valt veel te leren van die zeven jaar checken. Over consistentie, om te beginnen: het kwam voor dat de ene uitspraak als onwaar werd beoordeeld en een vergelijkbare bewering met dezelfde argumenten als waar uit de bus kwam. Dat de EU bepaalt „hoe dik een pizza moet zijn” heette in 2014 ‘onwaar’, want te algemeen (het geldt alleen voor de pizza Napoletana). Maar een vergelijkbare overdrijving over banen in Zuid-Limburg was „half waar” – wat dat ook moge zijn.

Belangrijker is het punt achter die verschillen, dat telkens opnieuw tot discussie leidde: hoe letterlijk en los van de context moet je een bewering nemen? Het uitgangspunt was: heel letterlijk, want hoe kun je anders bepalen of die „feitelijk” waar is?

Maar die gereformeerde letterlijkheid kan haaks staan op het normale taalgebruik, waarin sprekers en toehoorders rekening houden met de context of retorische lading van een bewering. Voorbeeld: de bewering van een columnist dat de economie van Oekraïne „precies even groot” was als die van Noord-Holland, was „onwaar’’. De economie van Noord-Holland is namelijk gróter. Maar het punt dat de auteur wilde maken, in een polemische column, was: die Oekraïense economie stelt dus niets voor. Hij had meer gelijk dan hij dacht.

Zulke hermeneutiek wordt acuut bij politieke of ideologische uitspraken die bedoeld zijn om effect te sorteren. De subtekst is daarbij dan vaak relevanter dan de letterlijke inhoud. Trump verspreidt bijna dagelijks boutades, die bedoeld zijn om zijn achterban gemobiliseerd te houden. Amerikaanse media checken zich suf om de stroom onwaarheden en overdrijvingen te weerleggen, maar dat maakt niet uit; taal is ook effectbejag.

Twee voorbeelden uit de NRC-stal. Een uitspraak dat er „meer Europese slaven in Noord-Afrika waren dan zwarte slaven in de VS” (‘waar’) werd na protesten alsnog voorzien van een kader met het oordeel „,onjuist” (latere generaties slaven in Amerika waren in de optelsom ten onrechte niet meegerekend).

Het punt is: dit ‘feit’ werd in het maatschappelijk debat over slavernij vooral gebruikt om de ernst van de trans-Atlantische slavenhandel te bagatelliseren.

Trouwens, wat dat betreft was het ook minder gelukkig dat NRC de getoetste uitspraken op Twitter standaard verspreidde zonder het oordeel waar of onwaar erbij. Dan geef je desinformatie onbedoeld nog een extra zetje.

Een bewering van Wilders die als waar werd beoordeeld (dat in vijf jaar tijd „ruim 100.000 migranten uit islamitische landen” Nederland waren binnengekomen) werd na kritiek op sociale media zelfs overgedaan. In de eerste weging was de emigratie van moslims niet meegenomen. Het oordeel bleef ook de tweede keer ‘waar’, maar nu met meer context. Ook de kritiek bleef hetzelfde: zo help je politieke retoriek verspreiden waarvan de subtekst – ‘ons land is ten prooi aan islamisering’ – belangrijker is dan de letterlijke inhoud.

Feiten zijn heilig, heet het – en terecht. Maar ook aan ware beweringen zonder context heb je vaak niet veel. De deugdelijkheid van een bewering berust op meer dan alleen feitelijke correctheid.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.