Recensie

Recensie Boeken

Opnieuw leren omgaan met het leven en de liefde

Marta Orriols In de indrukwekkende en niets verbloemende debuutroman van deze Catalaanse schrijver probeert een nog redelijk jonge weduwe – een neonatologe – het bestaan weer vorm te geven.

‘We konden naar films kijken die het sterven lichtzinnig in beeld brachten, maar wij bevonden ons buiten het gebied dat de ware betekenis van ‘‘je leven verliezen” bestreek.’ Met die nuchtere maar tegelijk onheilszwangere vaststelling begint de Catalaanse Marta Orriols haar debuutroman Met planten leren praten. Of liever: ze legt die in de mond van haar hoofdpersoon Paula Cid, neonatologe, begin veertig en sinds kort weduwe. Ze klinkt maar al te bekend. De dood als altijd die van anderen, totdat hij onverwacht nabij komt.

Romans over de verwerking van de dood van een partner zijn er vele. Nog niet zo lang geleden maakte de Spaanse schrijfster-journaliste Rosa Montero er in Het absurde idee je nooit meer te zien een soort feministisch heldenepos van, met Marie Curie in een dankbare bijrol. Orriols heeft die opsmuk niet nodig en ze maakt haar hoofdpersoon niet sterker, beter of sympathieker dan ze is: ‘een alleenstaande, slechtgehumeurde vrouw, die behalve haar werk geen vooruitzichten heeft…, die elke dag meer rent om haar slapeloosheid te bestrijden…, en die aan haar mobieltje geplakt leeft om er de naam van een timmerman te zoeken die haar niet heeft teruggebeld.’

Dat levert een indrukwekkende, subtiele roman op die niets verbloemt, maar soms prachtige momenten kent. Bijvoorbeeld wanneer Paula Cid het leven probeert te redden van een veel te vroeg geboren meisje, een leven tegen de dood, maar vergeefs, want sentimentaliteit is deze roman vreemd. Dat geldt ook voor de dood van Mauro, Paula’s levenspartner, die meer is dan een tragisch, onherstelbaar verlies. Vlak voor hij omkwam in het verkeer heeft Mauro haar verlaten om iets te beginnen met een jongere vrouw. Niemand weet dat, of bijna niemand. Paula krijgt het niet over haar lippen maar daardoor klinken wel alle blijken van meeleven vals.

Verder gebeurt er niet zoveel in het jaar na Mauro’s dood dat deze roman bestrijkt. Een paar avontuurtjes, zoals met de timmerman die uiteindelijk wel terugbelt maar met wie het toch niets wordt. Moeizame familiebijeenkomsten, zorgen op de afdeling neonatologie, het leven van haar vriendinnen dat haar soms een les in liefde geeft. ‘Het heeft te maken met rumoer, met de manier waarop de broodmand wordt doorgegeven, met de medeplichtigheid van een ruzietje tussen zussen en hoe de moeder de onenigheid sust.’ En zelfs met de ingezakte echtgenoot. Noem het de banaliteit van de liefde, maar: ‘Paula, kijk eens hoe makkelijk echte liefde is’. De observatie is even scherp als aangrijpend.

Misschien beschreef Orriols in dit boek haar eigen ervaringen, misschien niet: het maakt niet uit. Deze roman kan het stellen zonder de schijn van ‘echt gebeurd’ en het fluistergeheim van de confidentie waaraan de literatuur steeds meer ten offer valt. Er is op dit boek, althans de Nederlandse uitgave, eigenlijk maar één ding aan te merken, en dat is het fotogenieke maar volstrekt ontoepasselijke omslag – dat ideaal was geweest voor een boek over Frida Kahlo. In haar dankwoord vermeldt Orriols uitdrukkelijk ‘de cover die zo goed [bij dit boek] past’, maar dat is dus wel die van de oorspronkelijke editie. Nee, dit boek gaat niet over Frida Kahlo; het gaat over een min of meer alledaagse vrouw in Barcelona, die opnieuw leert wat leven en wat liefde is.