Nieuwe kampeerder blijft echt niet de hele zomer op de camping staan

Op de camping Op camping Distelloo in Helvoirt komen sommige gasten al veertig jaar. Het liefst blijven ze de hele zomer. Nieuwkomers pakken het anders aan. ‘De achterburen? Die zien we nooit.’

Michel en Karen Manshande
Michel en Karen Manshande Roger Cremers

Jan (70) en Ria Nijman (69) uit Rotterdam-Lombardijen zijn wat je noemt stamgasten. Al 44 jaar komen ze op camping Distelloo in Helvoirt, vlak bij Den Bosch. Twintigers waren ze, de eerste keer. Ria moest toen nog overgehaald worden, zij was geen kampeerder. Het beviel, en veel verder dan Duitsland zijn ze sindsdien zelden meer geweest.

Alles wat stamgasten van camping Distelloo noemen als voordeel van de camping, kunnen ze thuis ook. Een puzzeltje leggen. Een boek lezen. Een wandeling maken.

En toch is het anders.

Gelegen tussen weilanden en bossen heeft de camping zo’n tweehonderd plekken voor (sta)caravans van de ‘vaste’ bewoners. De helft van het jaar mogen ze alleen in de weekenden op de camping blijven, van maart tot oktober de hele week. Velen doen dat ook en staan er de hele zomer. Zoals Jan en Ria Nijman.

Het leven is hier primitiever dan thuis. De wifi werkt, maar vaak gebrekkig. Er is stromend water, maar niet iedereen heeft een geiser. Sommigen hebben een douche, anderen douchen in een gebouwtje verderop.

Tuintje met bloemen

Van campings zoals Distelloo, waar je de hele zomer kunt zitten, zijn er honderden in Nederland. Precieze cijfers over hoeveel mensen dat ook doen, ontbreken. Maar zeker is volgens Recron, brancheorganisatie voor recreatiebedrijven, dat het er duizenden zijn. Met voorzieningen die minder zijn dan thuis of die ze voor hetzelfde geld – een seizoensplek kost hier rond 1.500 euro – elders kunnen vinden.

Jan en Ria Nijman zouden niet anders willen dan dit, een kleine stacaravan, een tuintje dat vol staat met bloemen en planten. Thuis hebben ze een balkon, op één hoog. Hier: natuur. Dat vinden ze zó fijn, dat ze er ook zitten als het regent, zegt Ria. Poes Binky zit aan de lijn – huisdieren zijn eigenlijk niet toegestaan, aangelijnde poezen wel.

Waarom altijd hier, nooit naar het buitenland?

„Zij houdt van katten, dat kan hier dus”, zegt Jan.

Ria: „Anders moet-ie in een pension, dat doe ik niet.”

Jan: „Hier heb je rust, geen verplichtingen. Ik hou ook niet van het buitenland.”

Ria: „Het strand vind jij ook niet leuk. Ik dan weer wel. Vroeger ben ik twee keer naar Spanje geweest. En we spaarden altijd, dan gingen we met de voetbalclub vier dagen naar Duitsland. Dat was vréselijk gezellig.”

Maar goed, dat ging voorbij, de voetbalclub is op sterven na dood en Jan komt volgens Ria „nu niet meer vooruit”. Ooit begonnen ze op Distelloo in een tentje, later kochten ze een normale caravan. Nu zitten ze hier, voor de stacaravan.

Het is de materiële ladder die vaste bewoners van de camping decennialang beklommen. Eerst een tent, dan een caravan, uiteindelijk een stacaravan en dan nooit meer weg.

Jan en Ria Nijman met poes Binky. „Hier heb je rust, geen verplichtingen.”
Roger Cremers
Marijn en zijn zus Lianne
Roger Cremers

Nieuwkomers

Maar recentelijk, de oude bewoners weten niet precies wanneer het begon, pas toen het zo was viel het ze op, is er wat veranderd. Veel nieuwkomers beginnen niet meer onderaan de ladder.

Ze betrekken direct een stacaravan.

Vooral Bosschenaren, zegt Jan. „Eerst zaten hier alleen Hagenezen en Rotterdammers. Nu ineens mensen uit Den Bosch. Die zijn veel stugger, joh. Je ziet ze ook nooit.”

Ria: „De achterburen komen uit Den Bosch. We zien ze nooit.”

Nee, dan vroeger. Lachen was dat, zegt Ria. „Onze buren daar, die dronken altijd enorm. Zaten wij in het donker voor het keukenraam te kijken en te láchen, joh. Zaten ze te dansen. Hoorde je ineens tutututu en zag je zwaailichten, had die man het weer aan z’n hart.”

Jan: „Ja, dat waren leuke mensen.”

Ria: „Ook dood.”

En zo verandert de bevolking van de camping. Door de dood van een generatie arbeiders die zich voor het eerst de weelde van een stacaravan kon veroorloven. Doordat mensen de minimaal 1.500 euro per seizoen niet meer kunnen betalen. Jan: „Als je met pensioen gaat, wordt alles minder. Ik werk nog twee dagen in de week zodat we dit kunnen doen.” En doordat de groep mensen die hier wil zitten, simpelweg is veranderd.

Vroeger, zegt eigenaar Nick Jansen (41), „kwam hier het arbeidersvolk uit de Randstad”. Die komen nog steeds wel, maar de meeste nieuwe bewoners die hij ziet zijn jonge, meer welvarende gezinnen uit vooral Brabantse steden. „Die wonen in het centrum, maar hebben geen tuin.”

Jan en Ria Nijman met poes BinkyRoger Cremers

Alleen bij mooi weer

Zoals Martijn en Margot uit Den Bosch, sinds vorig jaar eigenaar van de stacaravan waar ze nu voor zitten. Goede banen, huis in het centrum, maar behalve een dakterras geen enkele buitenruimte en wel kinderen die daarnaar snakken. Martijn: „We zitten hier in tien minuten. In de stad moet je met de kinderen mee als ze gaan spelen. Hier kunnen ze hun gang gaan.”

Maar, zegt Martijn meermaals: „We zijn hier alleen als het goed weer is.” Want eigenlijk, vult Margot aan, „zijn we helemaal geen kampeerders.” Daarom niet eerst de tent en dan de caravan, maar direct de stacaravan. Hun leven lang hier, dat zien ze niet gebeuren. Martijn: „Een jaar of vijf zeker nog wel. Maar op een gegeven moment zijn de kinderen ook ouder natuurlijk.”

Michel Manshande (44) – „ambulant beddenverkoper” uit Den Haag – zit ook op de camping voor de opvoeding van zijn zoontje. Zoals het bij hem ging: opgegroeid op „klassieke campings”. „Je leert jezelf te vermaken met weinig. Dat wil ik mijn zoon ook leren.” Het liefst zo lang mogelijk. Pas op zijn vijfde is hij leerplichtig, dus tot die tijd kan hij gewoon het hele seizoen naar de camping in plaats van school, vult zijn vrouw Karen aan.

Een paar kavels verderop heeft Martijn uit Den Bosch net Marijn Leestermans uitgenodigd voor koffie, ‘opa Marijn’ voor veel bewoners. Hij kwam hier al toen de bomen bij de tv-mast naast de kantine nog half zo groot waren. Nu zie je de mast amper meer, zo hoog zijn ze gegroeid. Tussendoor was hij tien jaar getrouwd, toen had hij een boot. Bij de scheiding gaf hij de boot op en sindsdien is hij terug op de camping.

Marijn: „Ik ben drie keer in mijn leven in het buitenland geweest. Dat is genoeg, het buitenland boeit me niet. Hier ben ik tevreden.”

Met Oud en Nieuw was hij hier ook. „Gourmet-setje op tafel.” Martijn: „Hoppa.” Leestermans: „Heerlijk hoor.”

Hij was twintig jaar buschauffeur, daarna twintig jaar vrachtwagenchauffeur. Hij draait een sjekkie en zegt: „De samenstelling is wel veranderd.” Martijn knikt en Margot zegt: „Veel kinderen van school zitten hier ook.” Martijn: „Bas en Natalie ook.” Margot: „En Ilse, de juf van school.”

Pizza-avonden

De nieuwe bewoners zijn veeleisender, willen meer faciliteiten, denkt Margot, en dan hebben ze geluk. Want sinds Nick Jansen een jaar geleden de camping overnam van zijn vader (die hem ooit overnam van zíjn vader) is er veel veranderd. De kantine is opnieuw gedaan, er zijn pizza-avonden, jamsessies, een nieuw zwembad. Je kunt nu worstenbroodjes en tosti’s kopen in de kantine.

Veertig jaar geleden noemden Vrij Nederland-journalisten Elma Verhey en Gerard van Westerloo een caravan op de camping „de rijkdom van de armen”. Ze zagen arbeiders die hun verpauperde woningen in de Randstad ontvluchtten, onder elkaar wilden zijn. Een mini-samenleving van burgers die zich, decennia voor de opkomst van het populisme, al vergeten en machteloos voelden.

Maar hier gaat het veel bewoners – nieuw en oud – niet om de welvaart van een tweede huisje, maar juist om het wegvluchten van de welvaart; om onthaasting. Even geen werk, geen stress, geen doordenderende 24-uurseconomie. Een soort gated community voor de middenklasse.

Gepensioneerd vrachtwagenchauffeur of stadsbewoner met een goede baan: het gaat om de rust, de orde, de stabiliteit. „Dat is hetzelfde gebleven”, zegt Leestermans. „Het voelt nog steeds vertrouwd.”

Michel, Mees en Karen ManshandeRoger Cremers

Leaseauto’s

De rust zit in de bomen, het ruisen ervan is het voornaamste geluid dat je op de camping hoort. De orde en stabiliteit in de regels die iedereen handhaaft: geen open vuur, na tien uur geen geluid, geen feesten, je afval zelf naar de stortplaats brengen. Dat laatste is sinds vorig jaar zo en iedereen doet het.

Aan het einde van de middag zie je de langzame verandering, als wat leaseauto’s het terrein oprijden. Mensen uit de stad die na het werk een avondje naar de camping komen. De volgende ochtend zijn ze alweer vroeg weg. Binnenkort wacht de échte vakantie, in het buitenland. Margot en Martijn staan hier ook niet de hele zomer: „We gaan volgende week op vakantie naar Italië, we hebben het geluk dat dat kan.”

Rotterdammers Jan en Ria Nijman zijn volgende week ook vrij. Ria: „Drie weken vakantie, dan zitten we weer hier.”