Opinie

Maatschappelijke vrijheid vereist neutrale staat

Boerkaverbod Het kroonjuweel van het vrijheidslievende denken, de neutrale staat, wordt almaar minder neutraal, schrijft . Politici moeten waken voor een rol als zedenmeester.
Foto iStock, beeldbewerking NRC

Heel opwekkend is het niet een of meerdere vrouwen in boerka of nikab door de Nederlandse openbare ruimte te zien stiefelen. Maar is dat voldoende reden om die kleding bij wet te verbieden? Een prangend probleem lijkt er in ieder geval niet mee te worden opgelost. Mocht de nood aan de man komen, dan voorzien gemeenteverordeningen voldoende in een verbod op gezichtsbedekkende kleding. Maar bij gewelddadige demonstraties, bankovervallen en plofkraken zie ik boerka-draagsters vooralsnog geen hoofdrol spelen. En de wet kent al genoeg bepalingen waarop vrouwen die tegen hun zin gedwongen worden tot verhulling van top tot teen een beroep kunnen doen.

Wie wetgevend op zijn strepen gaat staan komt tot een andere conclusie. Identificeerbaarheid is in het sociale leven een fundamentele vereiste; voor de veiligheid van de samenleving geldt hetzelfde. Dat is wél voldoende reden voor een verbod – dat helaas meteen weer lijkt te stranden op de praktijk. Handhaving lijkt nauwelijks mogelijk en menige lokale bestuurder heeft daar helemaal geen zin in. Vooralsnog levert de wet vooral reuring op. En dat is slecht voor de wet – en voor het wettelijk bestel in het algemeen. Naarmate juridische bepalingen symbolischer worden, verdampt hun gewicht.

Dat het boerkaverbod er toch gekomen is, wijst erop dat het symbolische karakter het gewonnen heeft van de praktische aspecten. Met een beroep op principes weliswaar, maar dat doen symbolen altijd. Waarvan is deze wet echter het symbool? Dan moeten we kijken naar de politieke overtuigingen die erachter zitten. Ruwweg kun je zeggen dat rechts een hekel aan de islam heeft (en vaak aan godsdienst in het algemeen). Links ziet iets vernederends in vrouwensluiers (en vaak ook in godsdienst in het algemeen). Veel mensen zitten daartussenin of combineren beide.

Dit mag je allemaal vinden. Maar wanneer overtuigingen een wettelijke status krijgen, gebeurt er iets akeligs. De staat, die spreekt bij monde van de wet, maakt ze daarmee tot de zijne en gaat ze via ge- en verboden voorschrijven aan zijn burgers. Het neutrale bouwsel dat ooit was opgetrokken om de Nederlandse samenleving in goede banen te leiden legt zijn neutraliteit af en maakt zich tot een morele of wereldbeschouwelijke instantie. In Nederland hadden we ooit afgesproken dat dat laatste alleen aan de samenleving en de burger toekwam.

Democratisch incasseringsvermogen

Je kunt dat ook anders zeggen. Een liberale staat, zoals Nederland die wil zijn, gaat uit van de vrijheid van ieder individu. Ook dát behoort tot de beroemde volkssoevereiniteit. Die vrijheid mag alleen worden ingeperkt wanneer het echt niet anders kan. De staat is er voor de burger, de burger is er niet voor de staat. Op maatschappelijk vlak wordt van Nederlanders dus flink wat inschikkelijkheid gevraagd op het gebied van levensovertuigingen, gewoonten en eigenaardigheden. Dat is niet altijd leuk of gemakkelijk, maar al vaker is opgemerkt dat een democratisch bestel vraagt om incasseringsvermogen.

Zo lang verschillende religieuze denominaties in Nederland maatschappelijke ‘zuilen’ vormden die elkaar in evenwicht hielden, functioneerde dat redelijk. Iedere zuil was soeverein in eigen kring en de staat zorgde er als neutrale scheidsrechter voor dat ze elkaar niet in de haren vlogen. Een liberale staat is een formele staat.

Dat bestel lijkt nu onder druk te komen – merkwaardig genoeg met de triomf van de ideologie die zichzelf altijd naar de vrijheid vernoemde: het liberalisme. Nu vrijwel alle zuilen hun veren hebben afgeschud, als ze niet vrijwel verdwenen zijn, en zich in arren moede óók maar liberaal zijn gaan noemen, wordt het kroonjuweel van het vrijheidslievende denken – de neutrale staat – almaar minder neutraal. Hij gaat zich bemoeien met het alledaagse gedrag van mensen onderling, hij dringt door achter de voordeur, hij wil een vinger in de pap bij de opvoeding en scholing van kinderen. De recente aanvallen op het bijzondere onderwijs, uit naam van burgerdeugden waarvan de staat zich als hoeder opwerpt, biedt daarvan een goed voorbeeld.

Lees ook: Dat ‘boerkaverbod’ kan maar het beste snel worden vergeten

Zo gaat de staat doen wat ooit de zuilen deden – en wat, terecht, werd overgelaten aan de burger in het vrije maatschappelijke veld. De staat wordt een morele instantie, en zelfs een vervangend vervuller van de levensbeschouwelijke behoeften die de burger ondanks alles blijft koesteren. De wonderlijke interpretatie van het eerste artikel van de grondwet, waarbij het discriminatieverbod niet alleen als een vermaan aan de staat maar ook als fundament voor de samenleving opgevat wordt, is daar een symptoom van: het discriminatieverbod dat formeel gold voor de staat jegens de burger wordt opgevat als materiële opdracht aan de burger zelf. Ook het aannemen van wetten met slechts symbolische en gevoelsbetekenis (denk bijvoorbeeld aan het als ‘echte’ burger inschrijven van doodgeboren baby’s) moet tegemoet komen aan levensbeschouwelijke behoeften.

Verlies van vrijheid aan de staat

Die rolverwisseling heeft ingrijpende gevolgen. Want de macht van de staat (drager van het geweldsmonopolie en spreker van onverbiddelijk recht) is niet te vergelijken met die van de maatschappelijke instituties die ooit de moraal en levenszin belichaamden. Wettelijke dwang en (al)macht gecombineerd met morele en ‘religieuze’ soevereiniteit maakt van de staat op termijn een totalitaire staat.

Zo ver is het met het boerkaverbod nog lang niet, maar het kan geen kwaad ons af te vragen welke ontwikkeling daarin zichtbaar wordt. En dan ontkomen we niet aan een paar paradoxen. Uit naam van de vrijheid verliest de burger (op termijn élke burger) zijn maatschappelijke vrijheid aan de staat. En die staat, die zijn enige legitimatie in principe van die burger ontvangt, gaat hem de vrijheid meer en meer verlenen als gunst. Anders gezegd: de staat kent zijn plaats niet meer – omdat de burger hem een andere plaats gegeven heeft.

Het boerkaverbod is een duidelijke uiting van deze decadentie van de staatkundige en wettelijke orde. Het gevoel heeft erin de overhand gekregen op de rede, het concrete op het formele waarop ons staatsbestel gebouwd is. Ook (en misschien wel juist) politici lijken zich daarvan niet bewust – al ligt macht op wetsuitvaardiging in hun handen. Men zou hen wat minder sentiment en een wat nuchterder rationaliteit toewensen. Ook hen past de rol van priester, dominee of zedenmeester slecht.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.