Recensie

Recensie

‘Je hebt Jan met de Pet, het tussensoort en mijn stand’

Ridder van Rappard Achter de nostalgische en vaak komische uitspraken van de populistische politicus en ridder Rolly van Rappard ging een éénmansguerrilla schuil tegen het ‘beschavingsverval’ van wat eens een rechtgeaarde natie zou zijn geweest.

Rolly van Rappard in 1978
Rolly van Rappard in 1978 Foto Sijthoff Pers, bewerking NRC

Hij flirtte met het hiërarchische gedachtegoed van het fascisme, bleef min of meer democraat, was een beetje fout vóór en tijdens de Bezetting, maar vooral goed, vocht na de oorlog tegen de verloedering van kunst en zeden, en zeurde – niet ongeestig – maar door over de samenleving die naar de donder ging.

Mr. Louis Rudolph Jules van Rappard (1906-1994) leidde het leven van een zelfbenoemde randfiguur in de politiek. Hij wilde het land redden, maar bracht het niet verder dan burgemeester van Gorinchem. Hij was gedoemd de volksprofeet van adel te blijven van wie velen hielden, maar die niemand graag wilde hebben.

We kennen hem als ridder Rolly (voor intimi) van Rappard. Zijn naam doet velen glim- en grimlachen. Hij kon het namelijk raak zeggen. Mary Zeldenrust, voorzitter van de NVSH, ‘dat mens had geen bord voor de kop, maar een condoom’, zei hij; haar club was een ‘animeervereniging ter bevrediging van louter dierlijke lusten, met als leidmotief: Vort maar jongens!’

Licht bekakt

En zo was er meer dat de ridder attaqueerde, in zijn licht bekakte, koddige dictie. Als hij sprak was het alsof de burgervader uit Swiebertje sprak. De hoogdraverij klonk onschuldig en archaïsch, maar achter de schijnbaar lollige nostalgie ging een éénmansguerrilla schuil tegen het ‘beschavingsverval’ van wat eens een rechtgeaarde natie zou zijn geweest.

Er was sprake van wat Van Rappard een culturologische verdunning had kunnen noemen. Het land dreigde het volk ontstolen te worden. En dus steeg de ridder te paard om het terug te veroveren op de verdunners: op Jan Cremer, een ‘ordinaire met sekscomplexen behepte poenzoeker’, op Stedelijk Museumdirecteur Willem Sandberg, een ‘wonderlijk profeet van nul en niets’, en op de andere kunstnozems en naaktkladderaars.

Jonkvrouwe Julia Op ten Noort raakte in de ban van SS-leider Heinrich Himmler en de utopie van een raszuiver Groot-Germaans rijk. Lees ook: De freule die een zoon baarde voor de Führer

Nederland bezat, kortom, een rechtse populist toen er nog geen populisme bestond. Zijn vijanden waren niet de ‘buitenlanders’, maar de bevoorrechte binnenlanders en hun cultuurpausen (wat men nu in bepaalde kringen aanduidt als ‘de grachtengordel’). En het raadsel is waarom deze populist, geliefd bij de gewone mensen, geen kiezers kreeg toen hij probeerde als politicus met zijn Nederlands Appèl de nationale arena te betreden, onder de verkiezingsleus: ‘Voor fatsoen, ridder van Rappard, lijst 25.’

Meiden- en matrozenpakjes

De ridder heeft sinds kort zijn biografie, geschreven door oud-burgemeester Klaas Tammes (1948), die eerder in historische studies een voorliefde betoonde voor politieke buitenstaanders. Aan Van Rappard kan hij zijn hart ophalen. De auteur citeert uitvoerig uit diens boude uitspraken en heeft gevoel voor het anekdotische dat aan dit leven kleeft. Zo lezen we over de Edisonuitreiking in 1967 aan Boudewijn de Groot voor het lied ‘Het land van Maas en Waal’, waarmee Van Rappard als spreekstalmeester en bezienswaardigheid – onbekend met al die langharige jongens en hun liedjes – de ook aanwezige Ramses Shaffy spontaan feliciteert. En zo lezen we meer voorvallen, ook stuitende, want de ridder deinst er als burgemeester niet voor terug hoogstpersoonlijk een querulant het gemeentehuis uit te slaan. Tammes neemt het allemaal mee, in een mooi bescheiden portret, waarin gaandeweg het probleem – populist zonder volk – niet zozeer wordt opgelost, maar veeleer invoelbaar wordt gemaakt.

Van Rappard groeit op met een regenteske vader en een artistieke moeder, die naakt op haar balkon zont en haar Rolly graag snoeperig kleedt in meiden- en matrozenpakjes.

Van Rappard groeit op met een regenteske vader en een artistieke moeder, die naakt op haar balkon zont en haar Rolly graag snoeperig kleedt in meiden- en matrozenpakjes. Hij gaat studeren, besteedt minstens zo veel tijd aan het brallen als de studie (‘Rolly, je bent geen beest’, schrijft zijn vader), trouwt met een vriendin van Juliana, wordt burgemeester, eerst van het onbeduidende Zoelen en later van Gorinchem. Wanneer de verwachte passende benoeming voor een echte stad, Utrecht, uitblijft (Juliana weigerde de voordracht te ondertekenen, omdat het hem volgens haar aan tact ontbrak) besluit hij van Gorinchem een wereldstad te maken, een streven dat beperkt blijft tot één torenflat, de Van Rappardflat. Hij strandt als nationaal politicus, en eindigt in de lokale politiek van Gorinchem, waar zijn belangrijkste activiteit bestaat uit het schelden op de zittende burgemeester.

NSB

Maar wat is nou het probleem met Van Rappard? Niet zozeer dat hij tijdelijk sympathiseert met anti-democratische groepen als de NSB en het Zwart Front van Arnold Meijer, dat deden er meer; ook niet dat hij aanvankelijk als burgemeester de foute Winterhulp steunt. Want hij speelt ook al gauw een leidende rol in het ondergrondse burgemeestersverzet, omdat hij zich – in die volgorde – koningin, vaderland en volk niet wil laten afnemen. Evenmin is het de nonsens dwars op de tijdgeest die hij in de jaren zestig uitkraamt.

Het probleem is dat hij gelooft in de ouderwetse samenleving van Saartje, Bromsnor en de burgervader. Het land moest worden geleid door grote en kleinere ridder-van-Rappardachtige regenten. ‘Je hebt Jan met de Pet, het tussensoort en mijn stand’, schreef Van Rappard zelf.

‘Zijn charme’ was ‘een alles overrompelende en dan ook intens gelukkigmakende simplificatie’, schrijft Godfried Bomans als verslaggever van een Van Rappard-bijeenkomst in 1971. Beter is het hart van het populisme zelden beschreven.

Toch moest het gewone kiezersvolk Van Rappard niet als politicus. De gedekoloniseerde burger wilde wel op boer Koekoek stemmen, en voor de rest was het wachten op werkelijke nieuwe volkse bewegingen. De gewone man kon van het curiosum Van Rappard genieten, maar wenste niet in een Van Rappardreservaat te wonen. De tijd van de standensamenleving was voorbij.