Recensie

Recensie

De hoogtijdagen van het Nederlandse wielrennen

Wielrennen Socioloog Benjo Maso reconstrueerde de hoogtijdagen van het Nederlandse wielrennen aan de hand van renners, ploegleiders en organisatoren.

Goes, 1978: Peter Post op de schouders van Gerrie Knetemann (midden) en Jan Raas (links)
Goes, 1978: Peter Post op de schouders van Gerrie Knetemann (midden) en Jan Raas (links) Foto ANP/D. COERSEN

In het wielrennen hoor je soms pas jaren later het echte verhaal achter een overwinning of nederlaag. Dat heeft met doping te maken, maar ook met de vele gebeurtenissen onderweg die niet door de camera worden vastgelegd. Wielerjournalisten die dit toch wagen op te schrijven, wordt het werk met een boycot onmogelijk gemaakt.

In deze wereld heeft Benjo Maso (1944) een unieke positie verworven door als buitenstaander – hij is gepensioneerd socioloog – vanuit de studeerkamer terug te blikken op de wielergeschiedenis, het ware verhaal te reconstrueren en hardnekkige mythes te ontkrachten.

Werd Herman Vanspringel in 1968 ‘geflikt’ ten faveure van Jan Janssen? Hadden Hennie Kuiper in 1977 en Peter Winnen in 1983 ergens kostbare seconden laten liggen om de Tour te winnen? Werd Jan Raas in 1979 bij zijn winst in het wereldkampioenschap geduwd? In bijna alle gevallen kan Maso die sterke verhalen door een duik in de archiefkast weerleggen.

In Nederland heeft weer de gele trui reconstrueert hij de hoogtijdagen van het Nederlandse wielrennen tussen 1961 en 1985. Het is daarmee een vervolg op Nederland heeft de gele trui (2015) waarin Maso de opkomst van het Nederlandse wielrennen tot 1961 beschreef.

Het nieuwe boek begint in mineur. De vette jaren van Wim van Est, Wout Wagtmans en Jan Nolten zijn voorbij. Wat er in de Tour rondrijdt is een stel ‘afgewerkte koekenbakkers’, aldus oud-renner Gerrit Schulte in 1964. Maso laat zien dat een groot deel van het probleem ligt bij wielerbond KNWU dat amateurwielrennen belangrijker vindt en bij het gedoe om goede profploegen op poten te zetten.

Trage start

Het geeft Nederland heeft weer de gele trui een trage start. De koersverhalen zijn niet heel spannend. En zelfs in zijn wat droge stijl lijkt Maso maar weinig begeestering voor de Tour-overwinning van Jan Janssen in 1968 op te kunnen brengen. Het plezier in de boeken van Maso zit niet in de barokke schrijfstijl die veel collega’s hanteren. Hij kiest vooral interessante hoofdpersonen. De droogkomische weergave van hun verrichtingen worden dan al snel heel grappig. De running gag van dit nieuwe boek betreft de talloze, vaak mislukte pogingen van Ton Vissers om succesvolle ploegen te formeren. Met als hoogtepunt de Alsaver-ploeg in 1975 waarvan de hoofdsponsor pillen maakt om het alcoholpromillage in het bloed van autorijders tot een minimum te reduceren. Zowel pil als ploeg worden een flop en bij gebrek aan geld worden de renners uitbetaald in nutteloze pillen.

Als veelwinnaar Jan Janssen in 1968 de Tour wint, lijkt Nederland een wielermacht te zijn. Maar de echte hoogtijdagen komen tussen 1975 en 1985 wanneer Raleigh –voor de reclame mijdende Nederlandse televisie ‘de ploeg-Post’ – zo ongeveer alles wint en er wordt geklaagd dat ze zelfs geen kruimels overlaten voor de rest. In 1980 wint de ploeg elf Touretappes en het eindklassement. Zoetemelk, Raas, Kuipers, Knetemann en Winnen bepalen de wedstrijden. Het is bijna alleen Bernard Hinault die veel overwinningen voor hun neus wegkaapt.

Doping

Met het wereldkampioenschap van Joop Zoetemelk in 1985, die dan 38 is, sluit Maso zijn boek af. Er breken andere tijden aan, met minder Nederlandse winst, andere doping en misschien ook wel iets minder gedoe achter de schermen. Daar zou Maso een derde deel over kunnen schrijven, als hij die geschiedenis ten minste niet te recent vindt.

De ruime aandacht die Maso geeft aan sportbonden, ploegleiders, organisatoren geven de al talloos herhaalde wielerverhalen een nieuwe wending. Maso zet een ijzersterk kader neer waarin de gloriejaren van het Nederlandse wielrennen een nieuwe dimensie krijgen. Het is jammer dat weinig andere wielerjournalisten deze arbeidsintensieve en afstandelijke manier volgen. Dat maakt de twee laatste boeken van Maso wel meteen het standaardwerk over het Nederlandse wielrennen.