Recensie

Recensie Boeken

‘Giphart heeft met zijn seksboeken de crisis in het boekenvak mede veroorzaakt’

Lezen Sommige critici doen alsof ontlezing een humanitaire ramp is. Terwijl je je beter kunt afvragen of de ideale lezer wel bestaat. Drie auteurs over lezen en lezers.

Foto en bewerking NRC

Wie is de gedroomde lezer? Met wie zou de schrijver het meest in zijn nopjes zijn? Misschien wel met die man die figureert in één van de boeken van Gerard Reve. In een aan de volksschrijver gerichte brief deelde deze mee dat hij kort daarvoor speciaal een dag vrij had genomen van zijn werk om naar de boekhandel te gaan, daar het laatste boek van Reve te kopen en dat nog op diezelfde dag, thuis in een stoel, in één zitting had uitgelezen. De man had het prachtig gevonden, het was echt een prachtig boek geweest en hij wilde Reve via deze weg zijn erkentelijkheid en complimenten overbrengen.

Reve op zijn beurt was dan natuurlijk ook weer enorm ontroerd door deze ontboezeming. Stel je toch eens voor: zo’n man zoekt op wat de precieze verschijningsdatum van zijn nieuwe boek is, vraagt lang van tevoren, waarschijnlijk beschroomd, een dag vrij aan bij zijn baas en, nou ja, etcetera, de mensheid zij geprezen.

Ik heb op een of andere manier nooit volledig geloofd dat die man daadwerkelijk bestaan heeft. Het verhaal is gewoon te mooi om waar te zijn en bovendien was Reve een schrijver die vond dat elk verhaal, dus ook een verhaal over een ideale lezer, omwille van retorische doeleinden, niet zonder een flinke mespunt kitsch kon. Gewoon opmerken dat een lezer hem een beknopt bedankbriefje had gestuurd zou bij de lezer (ik dus, in dit geval) zeker niet zoveel effect hebben gegenereerd.

En toch weiger ik het verhaal definitief weg te zetten als een verdichtsel, zoals ik ook nog regelmatig terugdenk aan de dichter H.H. ter Balkt, die in een interview beweerde dat zijn voorvaderen - eenvoudige boerenlandarbeiders – in de pauzes een hooibaal opzochten om daarachter in alle rust Gorters Mei te lezen.

Stadions vol

Bestaan zulke ideale lezers? Bestaan ze nog? En zijn ze met velen of is hij alleen? Lezen doe je natuurlijk voornamelijk in je eentje en in afzondering, wat tot gevolg heeft dat er geen stadions vol lezers op je tv-scherm voorbijkomen. Waar zijn ze? En komen er nog wel lezers bij, of is het een dying breed, zoals ook ooit de marskramer voor het laatst de straat uit schuifelde en er ook ooit een laatste roker zal zijn?

Drie auteurs – twee Nederlanders en een Duitser – buigen zich in recent verschenen boeken over deze en aanverwante vragen, elk op hun eigen manier. De twee (schrijver Alex Boogers en de Duitse critica Felicitas von Lovenberg) maken zich zorgen over de toekomst van het lezen en reiken oplossingen en zelfs leeshandleidingen aan, waar een derde, fictieschrijver en gewezen Parool-recensent Arie Storm, juist met lezers en met de literatuur áfrekent.

Twee planters en een houthakker kortom, al hebben de drie ook iets gemeen, namelijk het gebruik van grote woorden en het koesteren van hooggestemde verwachtingen als het over lezen en over boeken gaat. Men legt er veel in. Zelfs Storm, nog, die toch echt z’n bekomst heeft van zowat alles wat met, vooral de Nederlandse, literatuur van doen heeft.

Achterbaks wereldje

Storm is een jongen uit de heffe des volks, opgegroeid in de Haagse Schilderswijk (de naaktslakken glibberden bij het gezin over het behang) en de letteren waren dus niet de meest voor de hand liggende bestemming voor Arie. Hij verpandde zijn hart aan de boeken van schrijvers als Maarten ’t Hart en Frans Kellendonk en hij nam die warme gevoelens mee in een fantasie van ‘het’ literaire wereldje: daar zou hij straks, als hij eenmaal ook zelf schrijver was, vast interessante en sympathieke lieden tegenkomen. U raadt het al, het warme bad bleek een loogbad te zijn, vol achterbakse lieden, vals zingende zangers en bruine onderarmen.

‘Giphart heeft met zijn seksboeken de huidige crisis in het boekenvak mede veroorzaakt.’

Als zuivere afrekening valt Het horrortheater van de Nederlandse literatuur overigens tegen, zeker gezien de pompeuze titel. Het boek is, zoals wel vaker bij Storm, wat laconiek van uitwerking, slechts hier en daar vilein en op zwavelzuur trakteert Storm mandarijnen als Tommy Wieringa en Pieter Waterdrinker niet, hooguit op een glas water in het gezicht. ‘Al die jonge mensen die vroeger Giphart lazen, lezen geen boeken meer. Daar heeft hij ze wel van genezen. Giphart heeft met zijn seksboeken de huidige crisis in het boekenvak mede veroorzaakt.’ De toegankelijke plezierschrijver Giphart als slager van toekomstige connaisseurs: het is een origineel beeld, maar toch niet helemaal juist, vrees ik.

Ik weet nog goed dat ik het luisterboek De God Denkbaar, Denkbaar De God in handen kreeg, voorgelezen door de schrijver zelve, Willem Frederik Hermans. Waarom hij dat rare boek vol vreemde capriolen destijds (1956) geschreven had? „Tja, Jurassic Park was er nog niet”, aldus Hermans. Oftewel: heel erg leek Hermans niet aan het specifieke medium van de literatuur te hechten; bewegend beeld kwam ervoor in de plaats.

Lezers hebben meer geld

Die nuchtere constatering van een aflossing van de mediale wacht is ver weg in de boeken van Boogers, Storm en Von Lovenberg. De laatste dreunt alle voordelen van het lezen op. Zo zouden lezers gezonder zijn, langer leven en meer verdienen. Von Lovenbergs onderbouwing van zulk soort boude stellingen is om twee redenen dubieus. Ten eerste verwijst ze nogal wild naar allerlei ‘onderzoeken’ (die uiteraard iets ‘uitwezen’), maar nam ze geen voetnoten in het boek op, waardoor je niks kunt controleren. Daarnaast zijn de stellingen wel erg kort door de bocht en lijkt ze andere variabelen in de ‘geslaagde’ levens van lezers niet mee te nemen. Misschien eten mensen die lezen wel gezonder of roken ze minder. Wordt a wel echt door b verklaard?

Het aantal lezers loopt terug, en vooral jongeren lezen steeds minder. Maar in Beilen weet een leraar Nederlands het tij te keren. Al zijn leerlingen lezen zeker zes boeken per jaar. Lees ook: Hoe de leraar Nederlands zijn klas aan het lezen krijgt

De echte olifant in de kamer bij deze boeken is de vraag waar-we-het-over-hebben-als-we-het-over-lezen-hebben. Of over boeken. Hakken we die olifant dan weer in tweeën, dan zien we enerzijds de niet onderbouwde overtuiging dat zich met het eventuele verdwijnen van een leescultuur zoiets als een humanitaire ramp zal voltrekken en anderzijds het omzeilen van de vraag welk soort boeken onder druk staan en dreigen niet meer gelezen te worden.

The Anarchist Cookbook? nu.nl/achterklap? Mein Kampf? Het staat er niet met zoveel woorden, maar je hoeft geen genie te zijn om door te hebben dat dit drietal zich zorgen maakt om de ongewisse toekomst van maar één boeken-genre: de verhalende, literaire fictie. Bij Von Lovenberg is dat evident omdat je in haar betoog alleen maar gecanoniseerde romans tegenkomt. Dit bood Jane Austen haar, dat Charles Dickens. Spreek dan ook uit, zou ik zeggen, dat dát het is waar je je zorgen over maakt, in plaats van het over ‘het’ boek of over ‘het’ lezen te hebben. Of liever, wees nóg een tandje strenger en zeg dat er jaarlijks karrenvrachten boeken gepubliceerd worden die je met een gerust hart terzijde kunt schuiven om naar The Sopranos of Andrei Rublev te kijken - al was het maar omdat die werken de echte lezersmentaliteit verraden. Wie zich gedachteloos vol wil laten lopen met informatie kan gratis en voor niks Sky Radio aanzetten. The message, not the medium, graag.

Elitair

Het taboe van kwaliteitsverschil tussen boeken vind je ook terug bij Alex Boogers. In zijn autobiografisch geïnspireerde ‘manifest’ lezen we over de lange intellectuele route die de schrijver van onder meer Alleen met de goden aflegde. Lang leve de lezer mag dan misschien hoopvol klinken, achter het omslag is vooral veel verwijt te vinden. Op school werden hem in die zin de verkeerde boeken aangeraden of opgedragen dat hij zich er als volkse jongen maar moeilijk mee kon identificeren. Het contrast tussen de Max Havelaar en een vader die zei dat je ‘moest werken tot je sterft, zo zit het leven in elkaar’ was nogal groot. Pas toen hij Jules Deelder zag optreden en vervolgens schrijvers als Charles Bukowski en John Fante las, begon het Boogers te dagen dat hij misschien wel méér affiniteit met de literatuur had dan hij had verondersteld.

Tja, zo moet het, zou je zeggen, maar het is ook weer niet zo dat hij daarna door klom naar de hogere sporten van de letteren. Boogers volhardt in zijn dubbeltjes-komaf en dubbeltjespoëtica, in zijn afkeer van wat hij de elite noemt. Hij schiet daarin zo ver door dat het ronduit potsierlijk wordt. Zonder hem een pluim in de hoed te steken: in zekere zin ís Boogers de elite. Zijn eerdergenoemde Alleen met de goden stond nota bene op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs, wat er op neerkomt dat hij is doorgebroken tot het hoogste echelon. Zijn portret van de literaire wereld als een ondoordringbaar kafkaësk slot is niet meer van deze tijd, dat is een argument uit 1950. Kijk alleen al naar een paar van de voornaamste stemmen van het naoorlogse literaire Nederland: Reve, Mulisch, Lucebert, Wolkers; allen van relatief tot zeer eenvoudige komaf en geen van allen zette ooit een serieuze stap binnen de academische wereld. Selfmade-men, net als Boogers.

Telekids

De hoop, zou ik zeggen, de hoop voor de literatuur vloeit misschien wel voort uit Arie Storms schets van een generatie van schrijvers (Storms generatie) die tamelijk verkrampt in het schrijfvak stond, met teleurstellende, ook publicitaire, resultaten. ‘Anekdotiek, realisme, daar konden we niet mee aankomen, we moesten en zouden postmoderne werken schrijven. Daar spreekt wellicht een zekere angst voor het leven uit. Denk ik aan mijn generatie, dan zie ik allerlei neuroten voor me die links en rechts gepasseerd dreigen te worden door de generatie ná ons, die op een veel meer ontspannen wijze met de werkelijkheid lijkt om te gaan.’

Hoe vervat je levenslessen in literatuur, zonder prekerig te worden? Lees ook: Wat dit nijlpaard je kan leren over kinderpoëzie

Storm denkt dat hij en zijn generatiegenoten, die voor de duidelijkheid de voorkeur gaven aan een nogal technisch en gelaagd proza, ‘gedoemd’ zijn. Dat is pijnlijk voor ze, maar misschien is ‘de’ literatuur, om het dan toch maar over een kam te scheren, er juist bij gebaat dat het wagenwiel maar weer eens opnieuw wordt uitgevonden. Murat Isiks Librisprijs-winnende Wees onzichtbaar mag dan wel geen volgende stap zijn in de ontwikkeling van het medium literatuur, een lezersmagneet is het wel. Of die lezers meteen literatuur willen lezen is vers twee, maar er zijn nu eenmaal veel aspirant-lezers die van ver moeten komen. De lange, vervelende, soms ook doodsaaie, maar uiteindelijk enorm lonende voettocht van Telekids naar Proust.