Waarom het zo heerlijk is om een dier aan te raken

aanraken Waarom willen we zo graag dieren aaien? Misschien zegt het iets over ons verlangen naar het paradijs, denkt Marjoleine de Vos, waarin mensen en dieren elkaar niet opvreten.

Foto Reza/Getty Images

Het paard stond een beetje dromerig over zijn hek uit te kijken toen ik langsfietste maar het zag me wel, en terwijl ik voorbij racete, overviel me het verlangen mijn hand op zijn hals te leggen. Meteen kon ik alles voelen: de korte gladde haartjes, de warmte van zijn huid, de nabijheid van het hoofd met de zachte neus.

Het gebeurt wel vaker. Als een koe in de zon ligt, het glanzende lijf behaaglijk in het gras, of als een hond je vrolijk tegemoet komt en geïnteresseerd aan je hand snuffelt, een kat zich tegen je been wrijft. Verlangen naar aanraking. Ja sterker: liefde. Kortstondig maar onmiskenbaar. Die liefde heeft niets persoonlijks, het gaat niet om het individuele dier. Het is meer de aantrekkingskracht van een intense levende aanwezigheid.

Vissen roepen het niet op, te koud. Vogels ook niet zo, al mag ik ze graag zien. Maar soms voel ik, verbeeld, wel hun warme levende lijfje, het kloppende hart onder de veren, het geringe gewicht. Je kent het van als je een kip oppakt of een eend (een tamme die terug moet in zijn weitje bijvoorbeeld) hoe een ontroering je dan overvalt om hun in-leven-zijn.

Les Murray, de dit jaar overleden Australische dichter, schreef eens een gedicht over zijn ontmoeting met een ijsvogel die tegen een ruit was gevlogen en versuft op zijn hand lag: „en met die stormram van een bek opengesperd/ gekneusd fruit van binnen,/ kroop hij over mijn knokkels/ en sloot mijn uitgestoken vinger/ in ringen van vogelpootjes.” (vertaling Menno van der Beek) We zien de kleine kobaltblauwe duiker met zijn grote dolksnavel op de hand van de dichter zitten, je voelt de ijzerdraadpootjes om je eigen vinger. (Wat las ik trouwens in Nederlandse kranten weinig over de gevelde Australische dichtreus.)

Vreemde mensen aai ik nooit

Waarom wil je een dier aanraken, je wang tegen de paardenhals leggen, de hond over zijn kop kroelen, de kat aan het spinnen krijgen, de big knuffelen, zelfs al weet je dat de big dat helemaal niet wil?

Met in het wild levende dieren komt er nog een andere sensatie bij, het gevoel echt iets te hebben meegemaakt toen een haas of ree, argeloos, je kant op kwam en even roerloos bleef staan, jijzelf ook roerloos, tot-ie zich omdraaide en wegsprong. Dat het dier zich liet zien, dat het je zag – dat doet iets in je bewegen.

Op straat heb ik nooit de neiging om vreemde mensen te aaien.

Laatst zat ik met een teruggevonden knuffelbeest in mijn handen en voor ik wist wat ik deed, had ik het – het was een wat slappe hond met hangoren – op schoot gezet zodat zijn kop op tafel lag en aaide ik het pluchen ruggetje. Er ontbrak duidelijk iets, leven, warmte, maar toch bewoog de verbeelding al een beetje en liet weten dat de hond dit ook prettig vond. Zeker.

Lees ook dit opiniestuk van huisarts Pieter Barnhoorn: Ik wil een patiënt kunnen knuffelen

Ik zou dus wellicht een heel geschikte bejaarde zijn om een robotzeehondje bij op schoot te zetten, of een dito kat die reageert op knuffels dankzij ingebouwde sensoren. Maar die sensatie van een ontmoeting, van iets meegemaakt te hebben zal de robot toch niet geven. Bij de vreugde van de ervaring een levend wezen ontmoet te hebben hoort vrije wil, en dan bedoel ik dat niet in filosofische zin, maar gewoon dat een dier ook weg kan rennen of vliegen. Het hoeft je aanwezigheid, laat staan je aanhankelijkheid niet te verdragen. Het kan, en gaat, weer weg en dat is goed.

Murray verklaart niet waarom de ijsvogelaanwezigheid zo’n indruk maakt, hij beschrijft alleen maar het dier op zijn hand dat weer op adem kwam, en hoe ze wel bijna twintig minuten zo samen zaten „alsof we terugkeken of/ uitkeken naar de prehistorie”.

Terugkeken of uitkeken naar het woordeloos in-leven-zijn. De warme huid, het kloppende hart. De nabijheid van een ander levend wezen.

Misschien is dit alles au fond wel het verlangen naar het paradijs, wat, dat weet ik heus wel, iets heel anders is dan uitkijken naar de prehistorie die heus niet zo paradijselijk was. Mensen hebben zich altijd voorgesteld dat in het paradijs de dieren aanwezig waren zonder dat ze elkaar of ons opvraten en dus zonder zich te verschuilen, zonder te vluchten. Er was vanzelfsprekendheid.

Er was toch even iets

Nee, nu niet doordenken en begrijpen dat er zonder die vluchtimpuls en zonder die agressie ook niet meer zo veel te beleven zou zijn aan de ontmoeting. Het gaat om het verlangen naar het mythische paradijs, niet om een bedrukkende realiteit.

Denk aan Ida Gerhardt en haar visotter: „In de Lekbocht/ heb ik als kind een visotter gekend”. Een zeer plechtige zegging van wat wel een indrukwekkende ontmoeting geweest moet zijn, misschien wel meer dan eens, een ontmoeting die toch niet veel meer geweest kan zijn dan elkaar zien. Zien is hier kennen.

En als ik nu wel van die fiets afstapte en dat paard aaide?

Soms doe je dat. Het paard deinst wat terug, zwaait met zijn hoofd, kalmeert als je je uitgestrekte hand aanbiedt, liefst met iets erop (maar ik heb niets!). Dan aai je even, het paard zoekt of je misschien toch iets lekkers te vergeven hebt, soms laat het zich met enig welbehagen je liefkozingen aanleunen. Dan is het voorbij. Maar er was toch even iets.

Hoe zouden wij mensen moeten omgaan met elkaar om zulke gevoelens op te roepen, uit te leven, te beantwoorden? Als ik denk aan een vreemde mevrouw die even in mijn nek wil kriebelen komt er geen verlangen bij me op, eerder afkeer, tegenzin. Dat komt doordat we dat nu eenmaal niet doen. Want als de kapper je hoofd aanraakt, of de fysiotherapeut je rug, als een ander mens in een situatie die je niet bevreemdt, zijn of haar hand op je huid legt, dan voelt dat intiem en plezierig. Aangeraakt worden is fijn.

Ontspannen van aanraking

Jaren geleden alweer zag ik de film La grande silence van Philip Gröning, over het leven in het klooster La Grande Chartreuse waar monniken in stilte hun dagen doorbrengen, grotendeels alleen in hun eigen cel. Eens in de zoveel tijd komt de kapper naar dat klooster. Dat zie je ook: hoe ze in de kappersstoel gaan zitten en aangeraakt worden. Hoe ze zich lijken te ontspannen. Het is ook het moment waarop de kijker zich realiseert dat die mannen daar nóóit aangeraakt worden. Als vissen zo koud leven ze.

Lees ook: Hoe langer ik niet word aangeraakt hoe prikkelbaarder, en dus harder ik word

De VPRO zond enige tijd geleden elke zondag een klein filmpje van Menno Otten uit dat Hoofdzaken heet. Je ziet een kapper die een kind knipt, achter de spiegel zit de camera. De kinderen weten dat maar lijken het te vergeten onder de handen van de kapper die ze af en toe een vraag stelt. Ze ontspannen en vertellen van alles. Een jongetje heeft Gilles de la Tourette, waar hij onder lijdt maar met allerlei trucs mee om probeert te gaan. Een ander jongetje heeft „de tofste moeder van de hele wereld”. Gevraagd naar waaróm zijn moeder dan zo tof is, zegt hij dat ze ook ‘nee’ zegt en dat hij daardoor van haar leert om een goede man te worden. Een meisje doet voor hoe ze naar haar vader kijkt, die een hersenbloeding heeft gehad, als ze hem met haar ogen wil laten voelen dat ze van hem houdt. Prachtige momenten, heel licht gehouden, en je voelt voor die kinderen een zelfde soort kortstondige, redeloze liefde als voor zo’n dier.

Niet dat ik ze wil per se wil aaien geloof ik, ik verlang, even, dat ze me nabij zouden zijn, van me zouden houden, want ik voel heel goed nu dat ik van hen zou houden.

Misschien is dat precies wat we ontroering noemen, dat plotselinge overstromen van het gevoel. En misschien is dat ook waarom het een zo gezocht gevoel is: omdat je dan helemaal in leven bent en je even niet bewust bent van jezelf.

Het is het leven zelf dat overstroomt in je.