Vliegen naar een congres gaat wringen

Vliegschaamte Afreizen voor een praatje op een verre bestemming is voor wetenschappers geen vanzelfsprekendheid meer.

Jonge demonstranten houden een 'die-in' tijdens een mars tegen vliegreizen in München, 26 juli.
Jonge demonstranten houden een 'die-in' tijdens een mars tegen vliegreizen in München, 26 juli. Foto Peter Kneffel AFP) / Germany OUT

Een paar weken geleden organiseerde de Society for the Improvement of Psychological Science haar conferentie. Een week later vond de International Meeting of the Psychometric Society plaats. De eerste in Rotterdam, de tweede in de Chileense hoofdstad Santiago. Allebei zijn ze voor Casper Albers, hoogleraar statistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, interessant. „Maar er zijn zo veel conferenties. Ik moet toch al kiezen. En dan kies ik tegenwoordig liever voor iets in Rotterdam.”

Vliegschaamte heeft de academische wereld bereikt. Onder wetenschappers groeit het ongemak over de vliegreizen die velen jaarlijks maken om conferenties te bezoeken. Niet zelden voor een praatje van minder dan een uur, of om te brainstormen en bij te kletsen met vakgenoten, die niet zelden met dezelfde vliegtuigen zijn gearriveerd.

De internationalisering van de wetenschap maakte ook het afreizen naar conferenties over de hele wereld steeds normaler. Het geeft bovendien status, om veel congressen te bezoeken of voor een praatje ingevlogen te worden. Sterker: de reisjes zijn voor menigeen een van de leukste onderdelen van het werk. De kans om op nieuwe plekken met gelijkgestemde collega’s een biertje te drinken. Netwerken gaat vaak net iets soepeler aan de bar in een vreemde stad.

Lees ook het interview met opperpolderaar Hans Alders: ‘We zijn het kompas kwijt in de luchtvaart’

Maar hoe verantwoord is dat, nu veel vliegen door steeds meer mensen ter discussie wordt gesteld? Niet, vindt Laura Burgers, die aan de Universiteit van Amsterdam promoveert op klimaatrechtszaken. Drie jaar geleden besloot ze niet meer voor haar werk te vliegen. En zorgde haar oproep minder te vliegen vorig jaar nog voor gefronste wenkbrauwen, inmiddels merkt Burgers dat vakgenoten het thema serieus nemen. „Ik was altijd de groene gek. Maar nu zeggen ook collega’s bij privaatrecht dat ze erover nadenken.”

Afkicken

Helemaal pijnloos gaat het afkicken van het vliegen niet, merkt Albers, die zelf 2,5 jaar geleden besloot zijn vlieggedrag drastisch in te perken. „Vooral van jonge onderzoekers hoor ik: als ik op mijn cv kan zetten dat ik mijn verhaal in LA heb mogen vertellen, is dat toch leuker dan Arnhem.” Zelf herinnert hij zich een conferentie in Tokio, waar een geweldige stadsrondrit onderdeel van het programma was. „Dat zijn leuke dingen, niet iedereen wil dat missen.” Burgers: „Jonge academici kunnen vaak veel meer verdienen in het bedrijfsleven. Dan maken de reisjes de universiteit voor hen toch een aantrekkelijker werkplek.”

Desondanks begint het te leven. Eerder dit jaar werd een oproep van Nederlandse klimaatwetenschappers om vlieggedrag te beperken door bijna 1.500 Nederlandse academici ondertekend. En ook universiteiten, die reisbudget verdelen en goedkeuren, denken na over maatregelen. Voor inspiratie kijken ze daarvoor vaak naar de Universiteit Gent. Sinds vorig jaar zomer vergoedt het reisbureau van die universiteit geen vliegtickets meer voor bestemmingen die binnen zes uur per bus of trein te bereiken zijn. De reacties zijn, op een paar boze twitteraars na, volgens milieucoördinator Riet van de Velde positief. „Ik steek mijn hand er niet voor in het vuur dat er geen mensen zijn die het omzeilen. We gaan ook niet jagen, het gaat om het voorbeeld dat je stelt.”

Ook Groningen, waar volgens een eigen berekening op het moment zo’n 5.500 werkgerelateerde vluchten per jaar worden gemaakt, bepaalde onlangs dat bestemmingen binnen 500 kilometer met de trein moeten worden bereisd. In Utrecht presenteert men na de zomer een nieuwe richtlijn, met daarin onder meer de ‘UU Treinzone’ waarbinnen medewerkers geacht worden de trein te nemen in plaats van het vliegtuig.

Daarnaast zeggen universiteiten te werken aan betere voorzieningen om op afstand aan een conferentie bij te dragen of deze vanuit huis te volgen. Die laten vaak te wensen over, weet ook Burgers. Onlangs was ze uitgenodigd om een praatje te geven in Griekenland. Ze besloot niet af te reizen, maar wilde met een videobijdrage toch optreden. „Dat kon uiteindelijk niet doorgaan omdat de zaal vreselijk galmde en niemand het zou kunnen verstaan. Een collega heeft mijn uitgetypte bijdrage moeten voorlezen.” Absurd, vindt Burgers, „dat we dit in 2019 niet kunnen regelen”.

Lees ook: Vliegen of niet? Hoe je een reisruzie aanpakt

‘Belang wordt overschat’

Maar misschien nog belangrijker: niet alles is met een video op te vangen. Van de Velde sprak laatst „een prof” die geprobeerd had een volledige conferentie in Kenia te volgen. „Maar hij gaf toe: dat is mislukt. Hij kon de lezingen prima volgen, maar al het belangrijke werd besproken tijdens de lunch en de borrel.”

Automatisch leidt de discussie over vliegreizen daarmee ook tot een debat over het belang van conferenties. Die worden overschat, vindt hoogleraar rechten Liesbeth Enneking van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, die zelf tweeënhalf jaar geleden stopte met vliegen. „Dat we mensen beoordelen op conferentiebezoekjes, daar moeten we in de academische wereld echt vanaf. Je kunt ook gewoon lezen wat iemand heeft geschreven.” Dat ze ‘zo leuk zijn’, vindt Enneking „een slecht argument. Je moet kosten en baten afwegen. En eerlijk: zo belangrijk is een conferentie in mijn ogen nooit”.

Burgers: „Voor jonge onderzoekers kan het heel goed en nuttig zijn contacten op te doen. Maar oudere onderzoekers hebben die reizen niet nodig om een netwerk te bouwen. Ik denk dan: die presentatie heb je al tig keer gegeven. Dan mag het klimaat ook best een factor zijn.”

Verbieden, benadrukt Albers, is niet de manier. „Sommige reizen zijn noodzakelijk. Maar we moeten wel nadenken: kunnen conferenties anders? Laatst heb ik een artikel geschreven met iemand in Nieuw-Zeeland. Ik heb die nog nooit ontmoet, maar via Twitter en GoogleDocs ging het prima.”