Kippenboer Gerda Briene

Niels Blekemolen

Veertigduizend leghennen is genoeg

Nu boer zijn Na de fipronilcrisis zaten Gerda en Johan Briene in de tang van de bank. Toch gaan ze door met hun bedrijf. „We zijn ondernemers, we doen dit om geld te verdienen.”

In de dertig jaar dat ze nu boer zijn, heeft Gerda Briene (49) er één keer spijt van gehad. Het was september 2017, midden in de fipronilcrisis. Ze stonden voor de zoveelste keer de stal te schrobben, het lukte maar niet om de stal – en dus de kippen en de eieren – fipronilvrij te krijgen. Niemand wist wat werkte, en de metingen van de eieren leverden telkens wisselende concentraties fipronil op. Ze sliepen nauwelijks, waren aan het eind van hun Latijn. „Toen heb ik weleens gedacht: waarom ben ik ooit boerin geworden?”

Toen ook financieel de bodem in zicht kwam, al sinds eind juli konden ze hun eieren niet kwijt, stonden ze op het punt: we geven het op. „Maar dan heb ík ook geen boerderij meer, zei Jeroen, onze oudste. Dat gaf het duwtje om door te gaan.”

Het is een zonnige middag in juli. Op het erf aan de Schapendijk, tussen Nijverdal en Wierden, probeert Johans vader wat ontsnapte biokippen te vangen. Gerda zet thee. Naast de oprit stoppen bijna elk kwartier klanten voor de egg drive: voor een euro halen ze een doosje met tien scharreleieren uit de automaat. Als Johan (50) aan de tuintafel komt zitten – „33 minuten bellen met het ministerie voor één vraag over fosfaatrechten” – heeft Gerda al verteld hoe ze in 1989 begonnen. Met 60 are – een klein voetbalveldje – en een oude boerderij die ze op de veiling hadden gekocht. Ze begonnen met niets, geen van beiden was boer van huis uit.

In de loop der jaren bouwden ze stallen bij, kochten grond, ook verder weg van huis, om zelf veevoer te kunnen verbouwen. De halve ark van Noach kwam langs: varkens, schapen, konijnen, kalveren, edelherten zelfs. Ze hielden een poos kippen in een huurstal en sinds 2008 in de stallen naast het woonhuis. Sinds drie jaar hebben ze daarnaast nog dertig melkkoeien, vooral omdat Jeroen (23), de oudste van drie zoons, daarmee verder wil. Bijkomend voordeel van meer diersoorten: risicospreiding. Johan: „We hebben altijd verschillende dieren naast elkaar gehad om te kunnen anticiperen op de ontwikkelingen.”

Konijnen, dat was in de jaren negentig goede handel. Maar het konijn had ook de aandacht van dierenwelzijnsorganisaties. Het was in 2010 dat actievoerders van Achter Gesloten Deuren inbraken en beelden van dode dieren in hun stal online zetten. Johan: „We zeiden toen al: dit is het begin.” De gemeente hield daarna extra onaangekondigde controles waarbij, zegt Gerda, alles in orde bleek. Intussen hadden zakenpartners publiekelijk afstand genomen. „Alsof we daders waren in plaats van slachtoffers. Ik ben heel lang doodsbang geweest op mijn eigen erf.”

Het maakt hen nog steeds boos. Johan: „Wat in mei in Boxtel is gebeurd, dat de politie dierenactivisten uren in een varkensstal liet zitten, dat kan toch niet? Daar moet je strabant tegen optreden. Als ze hier nu zouden komen, sta ik niet in voor hun veiligheid.”

De reden om met de konijnen te stoppen was een andere: de afzet werd moeilijker, de vraag naar konijnenvlees nam af. Johan en Gerda zagen meer toekomst in leghennen, vooral biologisch. „Dan heb je een andere doelgroep, die bereid is wat meer te betalen.” Sinds 2010 hebben ze naast de biostal ook een scharrelstal.

Ratrace

Toen ze begonnen met boeren, draaide alles om schaalvergroting: meer stallen, meer grond, meer dieren. „Iedereen ging mee in die ratrace, nog steeds”, zegt Johan. Bij de Brienes groeide het besef dat meer en groter geen doel op zichzelf moest zijn. Na de laatste stalvergroting in 2014 besloten ze: het is klaar. Gerda: „Nog meer kunnen we samen niet bolwerken, dan moet je personeel inhuren.” 40.000 leghennen is genoeg.

De minister van Landbouw, Carola Schouten, wil nu dat Nederland koploper wordt in kringlooplandbouw. „Wij zitten al jaren op die weg”, zegt Johan. De dieren krijgen zoveel mogelijk eigen voer: maïs, klaver en gras. Alle stroom komt van zonnepanelen, het water voor de dieren komt uit eigen bron. „We proberen zoveel mogelijk de kringloop te sluiten, zelfvoorzienend te zijn”, zegt Gerda. Dat is ook een economische overweging: alles wat je van buiten moet halen wordt duurder, maar een ei blijft even goedkoop. Johan: „We willen gewoon niet meer onder de kostprijs werken.”

Wetgeving maakt het niet altijd makkelijker om zelfvoorzienend te boeren. In de loop der jaren hebben ze de regeldruk zien toenemen. Johan: „Vroeger mochten we veel meer mest per hectare uitrijden dan nu. Maar onze gewassen halen meer fosfaat uit de bodem dan we op basis van het aantal dieren mogen uitrijden. Nu moet er dus voeding bij terwijl je met je eigen dierlijke mest blijft zitten – dat is toch de kromme wereld op zijn kop?”

Hij wil niet in de klaagmodus, zegt hij. Maar hoe kun je als Nederlandse boer concurreren met landen waar ze het minder nauw nemen met het milieu en dierenwelzijn? Nu al wordt de markt overspoeld door goedkope Oekraïense eieren, met de Mercosur-handelsdeal komen daar de Zuid-Amerikaanse landen nog bij. „Nederlandse producten krijgen niet de waardering en de prijs die ze verdienen”, zegt Gerda. Ze kennen boeren die hun eieren aan een lokale supermarkt leveren. Het eerste jaar krijgen ze nog een mooie prijs, daarna worden de duimschroeven aangedraaid.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze zelf óók op de prijs let in de supermarkt. „Maar ik kies wel voor Nederlandse producten, als ik de keus heb.”

Later die middag vertelt Gerda over Hanna van Hendrik, een toneelstuk over het Twentse boerenleven, waarin drie generaties boeren staan voor de naoorlogse landbouw in Nederland. „Eerst: nooit meer honger. Toen: schaalvergroting en specialisatie. Nu moeten boeren het weer allemaal anders doen.” Gerda herkende zich in de wanhoopskreet van Hanna. „Wat willen jullie nou van ons? Wat willen jullie?”

Rode oorlellen

Als Gerda over de hennen, over eieren praat, veert ze op. „Van alle dieren die we hebben gehad, vind ik dit de leukste. Kippen zijn heel gezellig.” Ze neemt er eentje onder haar arm, een Brown Nick, een ras dat vrij donkere eieren geeft. „Deze heeft rode oorlellen, die legt bruine eieren. Kippen met witte oorlellen leggen witte eieren.” Nederlandse consumenten willen een bruin ei, een wit ei associëren ze met legbatterij. Duitsers willen dan weer liever een wit ei.

Gerda legt wat eieren op een dienblaadje. Duizenden gaan er elke dag door haar handen als ze samen met Johan aan de band staat om de onverkoopbare exemplaren eruit te halen. Ze tikt er eentje kapot, het eiwit rond de dooier is mooi lobbig. „Hoe boller het eigeel, hoe verser het ei. Het blijft toch een wonder als je ziet hoeveel waardevolle stoffen er in een ei zitten.”

Hun leven zit erin. Zeven dagen per week. Van ’s ochtends half zeven tot de laatste stalronde om half elf. Maar als je vraagt of ze verknocht zijn aan het boeren, aan de veehouderij, zegt Johan: „We zijn ondernemers. We doen dit om geld te verdienen.” En als ondernemer kijken ze altijd naar andere verdienmodellen, zoals dat heet. Toen de jongens kleiner waren, hadden ze jarenlang dagopvang voor kinderen in de jeugdzorg. Gerda: „Ook uit idealisme, omdat we zelf zo gelukkig zijn met drie gezonde jongens.”

Tegenwoordig verhuren ze een vakantiewoning. Johan: „Als je dan ziet hoe makkelijk verdienen dat is – weinig regelgeving, weinig werk – dan zou je wel tien huisjes willen verhuren.”

De fipronilcrisis is voorbij. Er kwam een commissie, er kwamen kritische rapporten, en verder was het stil. „Maar voor ons was het, toen we op 19 oktober 2017 hoorden dat onze eieren weer goed waren, nog lang niet afgelopen. Nog steeds niet”, zegt Gerda.

Het logboek dat ze in die tijd bijhield, werd gaandeweg een dagboek. Het dagboek werd een boek: Fipronil, beslist geen eitje!. Gerda Briene beschrijft hoe de crisis in hun bedrijf, in hun gezin ook, steeds nieuwe vormen aannam: toen de fipronil weg was, kwam de bank. De blokkade heeft hun zo’n 150.000 euro gekost. Ze waren nu een ‘risicobedrijf’. De relatie met de bank werd, zacht gezegd, steeds stroever. Het was inmiddels januari 2018. Johan was kortaf, somber en niet alert toen er iets misging in de stal. Gerda zag hem op de rand van een depressie balanceren, terwijl ze zelf amper de vaatwasser kon inruimen, met de pijn die ze in haar pols en schouder had. „Voor mij was het boek een manier om alles te verwerken, de omslag naar het positieve.”

Het boek eindigt in mei 2018. Een half jaar later, vlak voor Kerst, meldde de bank dat de rente omhoog ging en de hypotheek versneld afgelost moet worden. „Daardoor konden we nog eens zes jaar niet investeren.”

Dit voorjaar namen Johan en Gerda een radicaal besluit. Ze verkochten alle grond die niet bij huis ligt, om in één klap hun schuld af te lossen. Gerda: „Liever verder zonder grond en zonder bank, dan mét grond nog zes jaar in de tang bij de bank.” Al heeft dat consequenties, omdat ze daarmee ook minder voer voor de dieren van eigen grond kunnen halen.

Bij de notaris was Gerda opgelucht. Eindelijk vrij. Nu konden ze fosfaatrechten voor de koeien kopen en de omheining rond het erf in orde maken. Ondernemen. Voor Johan, merkte ze, was het verlies van de grond nog moeilijker dan het vernietigen van de eieren. Johan: „Zonder de fipronilcrisis waren we de grond nooit kwijtgeraakt. Ik dacht alleen maar: het had niet gehoeven.”

Intussen wordt aan de keukentafel weer over de toekomst gepraat, of eigenlijk: over de toekomst van Jeroen. „We hebben altijd alles heel open besproken, als we nu grote beslissingen nemen, telt zijn stem zwaarder dan die van ons”, zegt Johan.

Ze gaan straks tien dagen naar Italië, daar zijn ze nog nooit geweest. De laatste keer dat ze er even tussenuit waren, was een midweekje Center Parks, na de fipronilcrisis. Hun laatste vakantie, de enige met de kinderen, was in 2014. Toen kon het omdat de stallen even leeg stonden. Nu kan het omdat Jeroen het bedrijf draaiende houdt.

Op de dag dat Gerda en Johan Briene naar Italië vertrekken, doet de rechtbank in Den Haag een uitspraak in de zaak die 124 pluimveehouders aanspanden tegen de staat om de schade van in totaal 35 tot 45 miljoen euro te kunnen verhalen: De NVWA heeft niet onrechtmatig gehandeld. Pluimveehouders zijn zelf verantwoordelijk voor de voedselveiligheid. De Staat is niet aansprakelijk.