Opinie

Het dempen

Ellen Deckwitz

Van tevoren verwachtte ik natuurlijk al dat Tokio een hysterische stad zou zijn, maar eenmaal daar ben ik alsnog overdonderd. Niet eens door de hollende voetgangers, gillende tieners of de tjokvolle metro’s als wel door de overdaad aan licht. De gebouwen spuiten neonvonken, boven het kleinste steegje hangen masten met een grotere lichtkracht dan een dozijn operatielampen.

„Heftig hè”, zegt Aimi, mijn gids, lachend wanneer we ’s avonds het hotel uitlopen en ik maar meteen mijn zonnebril opzet.

„Het is bijna opdringerig, al die verlichting”, zucht ik, „zo van ‘kijk eens hoe mooi deze stad is, ieder putdeksel is minstens twintig schijnwerpers waard’. Zo dwingend, je kunt niets anders meer doen dan kijken.”

„Ja”, zegt ze geamuseerd, „en ik denk dat het ook wordt gedaan om bepaalde zaken aan het oog te onttrekken.”

„Hoezo?”

„Nou ja, zo’n stralend, transparant land is Japan nou ook weer niet. Dat wordt op deze manier een beetje verdoezeld.”

„Je bedoelt als met een overbelichte foto? Waardoor je de rimpels en wallen niet meer ziet?”

„Precies. Al het onflatterende verdwijnt door de felheid van het licht. Overbelichting is een vorm van censuur. Ze dempt het donker.”

Ja. Het is een vorm van overschreeuwen. Het leidt de aandacht af van de duisterder kanten van dit land: de uitgeputte mensen in driedelig pak, hun gezichten grauw van de targets. Van het gevangen zitten in een hypercompetitieve samenleving waarin het wordt aangemoedigd om alles wat je dwarszit voor jezelf te houden, weg te stoppen in het duister van je geest.

Ik moet denken aan het essay In Praise of Shadows (1933) waarin de Japanse auteur Junichiro Tanizaki een pleidooi houdt voor de schaduw. Dat je dan andere dingen waarneemt. Het donker creëert mysterie en dat is van levensbelang aangezien mysterie weer nieuwe inzichten mogelijk maakt. Het is maar zeer de vraag of daarvoor nog ruimte is in een dichtgemetselde samenleving als deze. Het licht wordt hier niet ingezet om te onthullen maar om te verblinden, om iedere nuance te smoren.

We steken de straat over. Een meter of zes voor ons struikelt een jonge Japanse en smakt vol met haar gezicht op het asfalt. Om haar heen loopt iedereen gewoon door. Nog voor we bij haar zijn is ze alweer opgestaan. Ze kijkt achterom, vangt mijn blik, slaat haar ogen neer. Bloed stroomt uit haar neus, druipt op haar blouse, maakt een steeds grotere schaduw op het kant. Dan draait ze zich om en verdwijnt in de massa. Laat op de plek waar ze viel niets anders achter dan stralend, overvloedig licht.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.