Europeaan kan vaker met vakantie

Weekje weg Ruim zeven op de tien inwoners van de Europese Unie konden een week of langer weg. Vijf jaar terug was dat nog 60 procent.

Niet op vakantie
Niet op vakantie

Het aantal huishoudens in de Europese Unie dat zich ten minste een week vakantie kan veroorloven groeit. Vorig jaar kon 71,7 procent van de EU-burgers minimaal een week van huis. Vijf jaar eerder had nog maar 60,5 procent van hen daar naar eigen zeggen genoeg geld voor.

Dat blijkt uit cijfers die Eurostat, de statistische dienst van de Europese Unie, heeft gepubliceerd. Daarvoor zijn data gebruikt die de lidstaten in eigen land hebben verzameld. Aan ruim 250.000 huishoudens werd de vraag gesteld of ze een week vakantie kunnen betalen. Daarbij maakt het niet uit of die vakantie in binnen- of buitenland is, en in betaalde accommodatie of bij vrienden of familie.

In veel EU-landen kunnen inwoners vaker of langer dan een week op vakantie. In Nederland kon slechts 14,2 procent van de huishoudens zich in 2018 geen week vakantie veroorloven door geldgebrek, de helft van het Europese cijfer. Het is ook gunstiger dan in 2013 toen, op het dieptepunt van de kredietcrisis, 19 procent van de Nederlanders zich geen korte vakantie zei te kunnen permitteren.

De jongste cijfers van Eurostat illustreren ook de grotere welvaart in het westen van de Europese Unie. In Zweden, Luxemburg, Denemarken, Zwitserland en Finland zijn nog minder inwoners dan in Nederland die zeggen geen vakantie te kunnen betalen.

Bulgarije grootste daler

Roemenen blijven het vaakst thuis. Van hen kon 58,9 procent zich vorig jaar geen week weg veroorloven. Daarna volgen huishoudens in Kroatië (51,3 procent), Griekenland en Cyprus (beide 51 procent). In veel landen daalt dit cijfer overigens al jaren gestaag. Zo ging driekwart van de Roemenen tien jaar eerder nog helemaal niet ten minste een week met vakantie.

De meeste vooruitgang was te zien in Bulgarije, net als Roemenië in 2007 tot de EU toegetreden. Kon vorig jaar 30,5 procent van de Bulgaren geen week met vakantie, zes jaar eerder gold dat voor bijna driekwart van hen. Ook in Polen verbeterde de situatie: bijna tweederde van de Polen ging vorig jaar minstens een weekje weg, waar dat zes jaar eerder nog maar voor 38 procent van hen was weggelegd. Alleen in Griekenland bleef de vakantiedeelname de afgelopen tien jaar min of meer gelijk; het percentage schommelde telkens rond de 50 procent.

Overigens is het in Europa buiten de EU ook niet slecht gesteld. Van de Noren gaat al jarenlang hooguit 5 tot 7 procent niet ten minste een weekje weg. En minstens 90 procent van de Zwitsers is elk jaar zeker van een week op stap kunnen.