Er ís geen hittegolvenraadsel

Meteorologie Klimaatsceptici stelden in maart dat het KNMI oude hittegolven heeft verdonkeremaand. Dat is een weinig overtuigend betoog.

KNMI-wetenschappers laten in 1948 een weerballon op. Geheel links de oude pagodehut. In het midden een Stevensonhut.
KNMI-wetenschappers laten in 1948 een weerballon op. Geheel links de oude pagodehut. In het midden een Stevensonhut. Foto G. van de Werff/ANP

Heeft het KNMI historische hittegolven verdonkeremaand? Kwamen er vroeger, vóór 1951, echt minder hittegolven voor dan tegenwoordig? De exotische hittegolf van vorige week leverde alsnog media-aandacht op voor een kritisch rapport dat klimaatsceptici daarover in maart uitbrachten. De sceptici hadden waargenomen dat het KNMI na een correctie van oude temperatuurmetingen het aantal hittegolven dat tussen 1901 en 1951 was geregistreerd had teruggebracht van 23 naar 7. Het betekende dat er tegenwoordig meer hittegolven zijn dan vroeger en dit riekte naar manipulatie. Maar wás het ook manipulatie?

Dit is wat klimaatscepticus Marcel Crok en een drietal geestverwanten onderzochten voor hun rapport Het raadsel van de verdwenen hittegolven. Het rapport signaleert een aantal mogelijkheden tot manipulatie maar gaat niet zover te beweren dat het KNMI die ook gebruikte. Het noemt de aanpassingen waartoe het KNMI overging slechts „onverdedigbaar”. Als er überhaupt een correctie op oude metingen nodig is (de sceptici denken van niet), dan zou het KNMI in ieder geval te zwaar gecorrigeerd hebben.

Cruciaal onderzoek

Afgezien van het enthousiasme bij mede-klimaatsceptici en Thierry Baudet was er in maart maar weinig aandacht voor het rapport. Het KNMI wilde niet reageren en stuurde na een week – zonder commentaar – een artikel uit het tijdschrift Meteorologica dat maar een deelaspect van de kwestie behandelde. Bij nader inzien blijkt het de weerslag van een cruciaal onderzoek.

Het weerinstituut zit met een lastige kwestie. Tussen 1901 en 1951 werd de temperatuur in De Bilt gemeten met een thermometer die was opgehangen in een weerhut van afwijkend model, de zogenoemde pagodehut. Die stond bovendien nogal dicht tegen bomen en bebouwing aan. Na 1951 heeft het KNMI een standaard Stevensonhut in gebruik genomen die in opener terrein kwam te staan. Twee wezenlijke veranderingen dus.

Achteraf werd duidelijk dat de veranderingen een ‘temperatuursprong’ in de waarnemingen opwekten: na 1951 kwamen de temperatuurmetingen trendmatig wat lager uit, vooral op warme zomerdagen. De meetreeks was niet ‘homogeen’ meer. Voor klimaatonderzoek is dit problematisch.

Overlappende metingen

Het KNMI moest ‘homogeniseren’. Lastig was dat er nauwelijks overlappende metingen waren verricht tussen oude en nieuwe omstandigheden. Internationale overeenkomsten schrijven bij dit soort veranderingen minstens twee jaar ‘parallelle metingen’ voor, maar die waren er niet. De KNMI-meteorologen besloten de oude en nieuwe metingen af te zetten tegen de waarnemingen van het weerstation Eelde. De locatie Eelde verschilt in karakter niet veel van De Bilt en de Drentse metingen voldoen aan de eisen.

In feite, zegt klimaatonderzoeker Theo Brandsma die de homogenisatie leidt, vergelijk je voor een periode rond de aanpassingen op maandbasis de waargenomen kansverdeling van warme en koude dagen tussen De Bilt en Eelde. Daaruit leid je je correctie af. Omdat het weer grillig is en er maar weinig meetpunten zijn, moet je de waarnemingen statistisch gladstrijken (‘smoothing’). Daar zijn geen objectieve criteria voor, je vertrouwt au fond op je kennersblik.

Het weerinstituut zit met een lastige kwestie, na de weerhutverandering in 1951

Het is deze zware exercitie die Marcel Crok c.s hebben trachten te herhalen. Hun lezenswaardige verslag is heel verhelderend. De vier komen tot andere resultaten dan het KNMI, ontdekken dan dat het KNMI andere uitgangspunten hanteerde dan uit een rapport viel op te maken, doen de exercitie nog een keer, schuiven daarbij aardig op in KNMI-richting maar slagen er uiteindelijk niet in de KNMI-methode volledig te reproduceren. Dus blijven ze de KNMI-aanpak „onverdedigbaar” noemen en vinden ze dat te veel hittegolven zijn weggesaneerd.

De statistische methode voor homogenisatie leidt tot een ‘recept’ voor temperatuuraanpassingen waarbij vooral hoge temperaturen (boven 28 graden) flink kunnen worden bijgesteld. In individuele gevallen maakt dit soms een vreemde indruk, Crok c.s geven daarvan voorbeelden. Liever zou je zien dat meteorologen afstapten van de statistische aanpak en de metingen van vóór 1951 op dagbasis bijstelden voor de effecten van straling en wind (ter hoogte van de weerhut). Maar die metingen zijn er niet, zegt Brandsma.

Aparte argumentatie

In een aparte argumentatie betogen Crok c.s. dat de temperatuursprong die het KNMI waarneemt geen instrumentele verklaring heeft maar een klimatologische: hij zou reëel zijn. Een ensemble van Duitse weerstations dat geen homogenisatie-problemen heeft laat dezelfde sprong zien, schrijven ze, maar overtuigend zijn die beschouwingen niet.

Pijnlijk voor Crok en collega’s is dat Brandsma aannemelijk kan maken dat de verplaatsing van de weerhut in 1951 écht een temperatuureffect had. Hij onderzocht het tussen 2003 en 2005 in een reeks experimenten waarover hij in 2011 rapporteerde. De oorspronkelijke locatie was niet meer beschikbaar maar hij kon dicht in de buurt komen. Dat de thermometer op warme zomerdagen in de pagodehut stelselmatig warmer werd dan – later – in de Stevensonhut staat ook vast. De oorspronkelijke pagodehut was verdwenen, maar het KNMI heeft hem nagebouwd en naast een Stevensonhut gezet. Het effect, samenhangend met de open onderzijde van de pagode, is onmiskenbaar. Het was dit aspect waarover Meteorologica in maart rapporteerde. De conclusie is dat de groep van Marcel Crok er niet in is geslaagd de KNMI-homogenisatie aan te tasten. Er zijn tegenwoordig echt meer hittegolven dan vroeger.

Correctie 1 augustus: in een eerdere versie van dit artikel werd gesproken over ‘Groningse metingen’, refererend aan het meetstation Eelde. Groningen Airport Eelde, waar het meetstation staat, ligt in Drenthe.