Korpschef van de Nationale Politie Erik Akerboom

Foto David van Dam

Korpschef Erik Akerboom: ‘Discriminatie gaat vaak om een blik of foute opmerking’

Interview Erik Akerboom Is korpschef Erik Akerboom een wegkijker als het gaat om diversiteit op de werkvloer bij de politie? „Ik herken me daar totáál niet in.”

Ineens verheft Erik Akerboom (58) zijn stem. Bijna anderhalf uur lang sprak de korpschef van de Nationale Politie op rustige toon over de problemen bij zijn organisatie, met bijna zeventigduizend mensen de grootste werkgever van Nederland.

Tot de vraag volgt wat Akerboom vindt van het verwijt dat vertrekkend politiecoach Carel Boers hem drie weken geleden in NRC maakte. Akerbooms leiderschap zou bestaan uit „het stelselmatig vermijden van elke vorm van conflict. Geen fouten maken is voor hem belangrijker dan goede dingen doen”. Een wegkijker, met andere woorden.

Lees ook: de kritiek van Carel Boers op de politie

„Dat was beneden alle peil”, zegt Akerboom, sinds maart 2016 korpschef, fel. „Ik herken me daar totáál niet in. Boers heeft een radicale analyse van diversiteit bij de politie. Hij vergeet de duizenden agenten die mee moeten in die ontwikkeling, maar er nog moeite mee hebben. Hij zet 55-plussers aan de kant, zet het korps aan de kant, zet de politie aan de kant. Dat zal nooit werken.”

Wat wel werkt, volgens Akerboom? Praten, praten, praten. „We moeten eindeloos de dialoog zoeken. Zo ontstaat begrip voor elkaar. Maar ook een norm stellen. Van álle leidinggevenden verwacht ik dat zij zich naar de medewerkers uitspreken en daar ook naar handelen.”

Daarom moeten de vierduizend leidinggevenden met hun agenten in gesprek over discriminatie en intimidatie op de werkvloer. Daarom bezochten twintigduizend agenten de theatervoorstelling Rauw, over het binnen de politie bespreken van dilemma’s.

De kritiek van Boers is hard aangekomen bij de politie. Geen onderwerp wordt op de werkvloer zo vaak besproken als diversiteit. „Blanke, mannelijke, oudere heteromannen” zouden volgens Boers de norm stellen. Discriminatie is aan de orde van de dag en de korpsleiding negeert meldingen daarover.

De politietop wil nu een „onafhankelijk meldpunt” oprichten waar agenten terechtkunnen met meldingen over verkeerde omgangsvormen. „Mensen die in de knel zitten moeten niet doodlopen. Het meldpunt heeft directe toegang tot mij.”

Welk vertrouwen kunnen die mensen hebben dat er iets met hun melding gebeurt? Volgens Boers negeert u dat soort signalen.

„We hebben leidinggevenden waar mensen terechtkunnen, interne vertrouwenspersonen, een externe ombudsman, tal van loketten… en toch voelen collega’s soms dat hun melding onderweg ergens strandt. Boers heeft dat ook blootgelegd. Maar niet alle meldingen leiden tot een oplossing die 100 procent naar de zin van de melder is. We moeten begrenzen. Het meldpunt moet kijken wat er is misgegaan.”

Je zou mijn mailbox eens moeten zien, zegt Akerboom. „Ik ben de héle week bezig met praten. Ik krijg tientallen mails per week met meldingen. Dat zijn persoonlijke verhalen. Ieder verhaal snijdt door je ziel. Het is onmogelijk om met hen allemaal in gesprek te gaan.”

Kunt u zoveel mails per week wel aan als ze via een meldpunt komen?

„Ik wil dat zaken eerder worden afgevangen. Het meldpunt gaat coördineren: dit moet de korpschef zien, hier moet iemand over in gesprek, daar moet onderzoek naar worden gedaan.”

De klachten over discriminatie binnen de politie zijn niet nieuw. Al in 2015 schreef toenmalig korpschef Gerard Bouman op zijn blog over het intern kleineren, uitsluiten en respectloos behandelen van agenten met een migratieachtergrond. Twee jaar later schreven 26 agenten een ‘zwartboek’, waarin ze uit de doeken deden hoe zij op hun werk werden getreiterd en gediscrimineerd door collega’s. Akerboom beloofde deze agenten destijds dat ze hun verhaal veilig konden doen.

Politiemedewerkers maakten een zwartboek over de intolerante cultuur bij de politie

Wat heeft u sindsdien voor hen gedaan?

„Ik heb met hen gesproken. Als er concrete signalen zijn van uitsluiting, kun je bij je chef terecht en dan bij mij, heb ik gezegd. Ik heb sindsdien bijna geen signalen meer van hen gekregen. We moeten bij zulke zaken goed kijken naar de feiten. Beleving en feiten lopen door elkaar. Veel verhalen waren niet concreet, maar implicieter. Vaak gaat het om dingen die tussen de vingers doorlopen. Om een foute opmerking, een blik.”

Wat is bij discriminatie het verschil tussen ‘beleving’ en ‘feit’?

„We zijn een emotionele organisatie. Als agenten terugkomen van een heftige dienst, moeten ze ontladen. Daar worden soms foute opmerkingen gemaakt. Vaak zitten daar geen kwade bedoelingen achter, maar het gebeurt wel. We moeten hoor en wederhoor toepassen bij dit soort incidenten.”

Als een agent het in zo’n gesprek over ‘kutturken’ heeft, zoals een agent zelf toegaf tegen NRC, kan dat?

„Onacceptabel.”

Welke hoor en wederhoor zijn daarop van toepassing?

„De vraag ter plekke is: hoe reageert de collega die van Turkse afkomst is? En wat doen de teamchef en directe collega’s? Grijpen die in? Als je het laat gebeuren, wordt het normaal. Stel dat je in een vergadering een foute grap maakt over de baard van een collega met een moslimachtergrond, dan dreigt de grens tussen humor en uitsluiting te worden overschreden. Die grenzen verschuiven, daarom zullen er zaken blijven komen en moet je meteen ingrijpen. Als je zwijgt en mee- lacht, wordt wat abnormaal is normaal. Dat gebeurt overal in de samenleving, maar voor ons geldt een hogere norm.”

Akerboom trekt de parallel met vrouwen binnen het korps. In 1911 kwam de eerste vrouw bij de politie werken, ruim honderd jaar later is de politie trots dat 40 procent van de leidinggevenden vrouw is. „Dat proces ging met horten en stoten. Soms ging het mis, kwamen vrouwen in de knel. Maar hoe meer vrouwen er kwamen, hoe makkelijker de cultuurverandering ging. Met het volume komt de verandering. Er hangen bijvoorbeeld geen pornoposters meer in kleedkamers.”

Zo moet het ook gaan met agenten met een ‘diverse achtergrond’, wil Akerboom maar zeggen. „We móéten diverser worden, want de samenleving wordt dat ook.

Lees ook: De politie wordt maar niet diverser

Deze verandering gaat met wrijving, dat maken we nu mee. Maar het diverser worden van de politie is van de héle organisatie.”

Is dat zo? Veel agenten hebben moeite met het diverser worden van de politie.

„Dat is precies het punt. Je moet je richten op de agenten die eerst met vrouwen gingen samenwerken. Nu op mensen die met agenten met een diverse achtergrond moeten werken. Laat zien dat het werkt, als een jonge agent die de politieke gevoeligheden kent en Turks spreekt, kan tolken als een Turkse minister hier een speech wil houden maar dat niet mag.

„Het gaat om onze legitimiteit. Een traditioneel samengestelde, witte politie weet minder wat er speelt, hoort minder, voelt minder en verliest daarom het vertrouwen van de samenleving. Je moet als agent weten wat er op 25 april in de Molukse gemeenschap speelt. Dat we in dat proces 55-plussers zouden uitsluiten, is echt onzin. Maar dat veel agenten het te hard vinden gaan, merk ik ook in mijn mailbox.”

In 2013 werden de 26 regionale korpsen van de politie omgevormd tot één landelijk korps, de Nationale Politie, met één korpsleiding en een hoofdkantoor in Den Haag. De samenwerking tussen collega’s uit verschillende regio’s zou hierdoor beter worden en de opsporing van criminaliteit effectiever.

Weet u wel wat er speelt op de werkvloer? Topambtenaar Wim Kuijken, die in 2017 de invoering van de Nationale Politie onderzocht, vond dat de afstand tussen top en werkvloer te groot was.

„Ik heb een stevige nuance op dat verhaal. Kijk eens naar het vertrouwen dat burgers in de politie hebben.

Foto David van Dam

Dat is de afgelopen vijf jaar, tíjdens de reorganisatie en bezuinigingen, gestegen. Bereikbaarheid, zichtbaarheid in de wijk; burgers zijn er positiever over geworden. Maar ik vind wel dat we te veel opgeschaald hebben de afgelopen jaren. We hebben teams van honderd, soms honderdvijftig agenten met één chef. Dat is te groot. We willen weer kleinschaliger gaan werken, in kleinere verbanden.”

Toen u drie jaar geleden aantrad, deed u precies dezelfde belofte.

„We zijn al verder.”

Waaruit blijkt dat?

„We hebben ónder die grote teams kleinere clusters van twintig agenten gemaakt. En het maken van roosters gaat weer meer terug naar de teams. Dat koppelen we ook meer aan de inzet in de wijken.”

Dat klinkt alsof u de Nationale Politie aan het repareren bent.

„We hebben te veel gecentraliseerd. Maar dat was wel nodig: anders kun je er niet één organisatie van maken. In een paar jaar tijd hebben we alle logistiek, ict en arbeidsvoorwaarden gecentraliseerd. Noem mij één boek dat zegt dat zo’n grote operatie kan. En toch steeg het vertrouwen van burgers. Bij grote incidenten als de aanslagen in Utrecht en op Amsterdam CS bleek dat samenwerken binnen de Nationale Politie beter gaat. Maar de menselijke maat moet terug. Ik kan sinds het rapport van Kuijken al meer: zelf agenten verdelen in plaats van naar de minister kijken. Teamchefs mogen bestedingen zélf doen. Het is nodig, want ik wil niet dat agenten zich vervreemden van de eigen organisatie.”

Wim Kuijken vond het te vroeg om te zeggen of de Nationale Politie geslaagd of mislukt was. Wat vindt u?

„Het is onomkeerbaar. Niemand wil terug naar 26 aparte systemen. Ik heb het weleens onderzocht: als je vroeger een auto stal in Friesland, daarmee een overval pleegde in Amsterdam en de auto parkeerde in Limburg, kon niemand je pakken. Die informatie konden aparte korpsen gewoon niet delen.”

Zes jaar na de invoering van de Nationale Politie gaat de ‘verbouwing’, zoals Kuijken de reorganisatie noemde, verder. De komende jaren gaan zestienduizend agenten met pensioen.

Nu al is het krap: wijkagenten halen het doel om tachtig procent van hun tijd in hun wijk te zijn niet, roosters kunnen amper gevuld worden.

Hoeveel nieuwe mensen heeft u nodig?

„Zo’n zeventienduizend in vijf jaar. Dat is alleen om op hetzelfde niveau te blijven.”

En om echt te kunnen ademen?

„Drie jaar geleden hebben burgemeesters en het Openbaar Ministerie gezegd: om aan de vraag te kunnen voldoen zijn tienduizend extra agenten nodig. Daar sluit ik me bij aan. Het kabinet heeft nu een eerste aanzet gedaan.”

Door elfhonderd extra agenten te beloven. Dat komt niet in de buurt van die tienduizend.

„Ja, elfhonderd. Maar meer instroom kunnen we op dit moment ook niet aan. Want politieagenten leiden die nieuwe mensen op. Dan bijt je in je eigen staart als je meer mensen binnenhaalt. Sinds mijn eerste dag bij de politie in 1982 ben ik opgegroeid met keuzes maken. Willen we meer agenten, dan zullen we alles uit de kast moeten halen, zullen we de opleiding moeten veranderen.”

Toen u aantrad zei u dat de politieorganisatie piept en kraakt. Wat vindt u nu?

„Dat is nog steeds zo. De can do-mentaliteit van agenten is heel goed, daardoor lukt het nog. Die duizend extra agenten zijn fijn, maar het duurt nog drie jaar voordat die echt opgeleid zijn. Dus het piept en kraakt nog wel een aantal jaar.”