Meer EU-bewoners kunnen zich een week vakantie veroorloven

Toch had vorig jaar nog ruim 28 procent van de EU-burgers niet genoeg geld om een week vrij te nemen en van huis te gaan. In Nederland lag dat percentage op 14,2 procent.

In 2018 had nog altijd 28,3 procent van de EU-bewoners boven de 16 jaar niet genoeg geld om een week van huis te gaan.
In 2018 had nog altijd 28,3 procent van de EU-bewoners boven de 16 jaar niet genoeg geld om een week van huis te gaan. Foto Getty Images/iStockphoto

Het percentage huishoudens in de Europese Unie dat zich ten minste een week vakantie kan veroorloven groeit. Toch had in 2018 nog altijd 28,3 procent naar eigen zeggen niet genoeg geld om een week van huis te gaan. Vijf jaar geleden was dat 39,5 procent, blijkt uit dinsdag gepubliceerde cijfers van Eurostat.

Eurostat gebruikte voor deze cijfers de antwoorden op vragenlijsten over bijvoorbeeld inkomen, woonsituatie, onderwijs en gezondheid die elk lidstaat verzamelde in eigen land. Bij het onderzoek onder ruim 250.000 huishoudens werd onder andere de vraag gesteld of een huishouden een week vakantie kan betalen. Dat gaat om zowel een verblijf in het binnenland, inclusief een bij vrienden of familie, als in het buitenland.

Lees ook: Het aantal werkenden dat in armoede leeft, is in dertien jaar tijd anderhalf keer zo groot geworden

In veel EU-landen kunnen inwoners vaker op vakantie. Het deel van de mensen dat niet weg kan, is als gevolg van de krediet- en eurocrisis enkele jaren wel licht gestegen. In Nederland werd het dieptepunt bereikt in 2013, toen 19 procent van de Nederlanders zich naar eigen zeggen geen korte vakantie kon veroorloven. Vijf jaar later was dat gedaald tot 14,2 procent. Na Zweden, Luxemburg, Denemarken, Zwitserland en Finland, bevinden in Nederland de meeste bewoners zich in de positie een week weg te kunnen.

Bulgarije grootste daler

Landen als Roemenië (58,9 procent), Kroatië (51,3 procent), Griekenland en Cyprus (beide 51 procent) hebben het hoogste percentage bewoners die niet een week op vakantie kunnen. Van veel landen dalen de cijfer gestaag. Zo verbeterde de situatie in Roemenië (ruim 77 procent in 2010) in acht jaar met bijna 19 procentpunt.

De meeste verbetering was te zien in Bulgarije, dat net als Roemenië in 2007 tot de EU toetrad. Daar nam het percentage de afgelopen vijf jaar af met maar liefst 35,8 procentpunt tot 30,5 procent in 2018. Ook in Polen verbeterde de situatie fors met 26 procentpunten tot 34,6 procent van de bewoners. Alleen in Griekenland daalde dit percentage niet. Daar schommelde het de afgelopen jaren tussen de 49 en 54 procent.

In Noorwegen, dat overigens niet tot de EU behoort, liggen de cijfers al jaren tussen de 5 en 7 procent. Dat is fors lager dan het gemiddelde van de EU. Ook niet-EU-lid Zwitserland komt afgelopen jaren niet boven de 10 procent uit.