Opinie

De reparatie van de Rechtspraak gaat van start – eindelijk

Rechtspraak

Commentaar

Dat de Raad voor de Rechtspraak in Den Haag meer te zeggen krijgt over personeel, organisatie en planning van de vier hoven en elf rechtbanken, zal bij veel togadragers op scepsis en wantrouwen stuiten. Voor de rechtzoekenden gloort er echter licht aan het einde van de tunnel. Dit lijkt een krachtig bestuurlijk antwoord op jarenlange malaise na een moeizame reorganisatie en een mislukte modernisering. Als dit succes heeft, kan het de functie van de rechter versterken en de onafhankelijkheid van de rechtspraak ten goede komen.

De Rechtspraak kampt nu met geldgebrek, achterstanden, lagere productie, de nasleep van een mislukt IT-project en te hoge werkdruk. De onderlinge verhoudingen zijn moeizaam. De Raad wordt intern gezien als symbool van wat minister van staat Tjeenk Willink de ongewenste ‘verbestuurlijking’ van het rechtersambt noemde. Met schaalvergroting en centralisatie als symptoom. Onder druk van ‘de politiek’ zou de Raad meer geïnteresseerd zijn in productie dan in kwaliteit. Terwijl van het verdedigen en waarborgen van de onafhankelijke rechter in de gepolariseerde samenleving te weinig terecht is gekomen. Te bleek, te technocratisch, te volgzaam, die Raad – dat is het beeld. Geen club aan wie je meer macht wil geven.

Na de ‘herziening gerechtelijke kaart’ ontstonden er in 2013 grote fusiegerechten, onder meer in het zuiden en het noorden. Dat is een matig succes gebleken. Veel gerechten bleken ook na een fusie niet wezenlijk geïnteresseerd in andere, eventueel doelmatiger werkwijzen of interne doorstroming. De visitaties die de Rechtspraak zelf sindsdien liet uitvoeren waren consequent kritisch tot onthutsend. Als de rechtspraak er niet in slaagt om in een ‘rap tempo te moderniseren’, zo luidde onlangs het oordeel over 2018, staat het gezag van de rechters zélf op het spel. Er is een tekort aan rechtsprekend en ondersteunend personeel gegroeid. Daardoor is er geen ruimte of tijd voor vernieuwing, is overwerk structureel en is de taakverdeling tussen Raad en gerechten onduidelijk of omstreden gebleven.

Binnen de gerechten is het beeld ook deprimerend. Tussen rechters bestaat onderling te weinig samenwerking, reflectie, uitwisseling en ook ‘omgevingsbewustzijn’. Een deel van de rechters dacht bij al dit onheil met heimwee aan de tijd van de 24 zelfstandige gerechten die ieder zélf hun zaken met ‘Den Haag’ deden, hun eigen presidenten selecteerden en de typ- en (vooruit) faxmachines op de hoek bestelden.

Dit romantische beeld is echter ingehaald: de samenleving vraagt een hoger tempo, is mondiger, ingewikkelder en ook internationaler geworden. De rechtspraak veranderde niet snel genoeg mee. Een gemiddelde handelszaak in twee instanties anno 2019 duurt 99 weken. Nu wordt (eindelijk) aangekondigd dat het gezamenlijk wegwerken van achterstanden prioriteit krijgt. Zaken worden voortaan onderling vlot overgedragen, ‘vliegende brigades’ van rechters en griffiers worden gebruikelijk, centralisatie van zaken in landelijke kamers aangemoedigd. Onderwerpen die in de vergadering van presidenten moeilijk lagen, worden gedelegeerd – de ‘collectieve verantwoordelijkheid’ wordt uitgangspunt.

De Raad belooft een ‘cultuur van samenwerken’ met ‘de behoefte van de samenleving’ als uitgangspunt. Als dat de gewraakte ‘verbestuurlijking’ van de rechtspraak inhoudt, dan moet die maar omarmd worden. Zolang het de kwaliteit van het rechterlijk werk maar ten goede komt. Dat is het enige wat echt telt.