Waaizand

Schrijver en kunstschilder wandelen acht weken langs de kust en doen verslag in woord en beeld. Afl. 4: Zandvoort

We naderen Zandvoort, dit is ons vertrouwde randstadstrand, maar we voelen ons verder van huis dan ooit. Al strandlopend zijn we een beetje vreemd geworden. Als ouwe indianen buigen we ons over de voetsporen van mens en dier, snuffelen er eens aan en concluderen bijvoorbeeld: dikke joggende man met staartje. Of: echtpaar met bescheiden portemonnee (zelfde schoenen gekocht in de aanbieding) dat onderweg onenigheid kreeg.

Net als de eskimo’s hebben we een hele batterij woorden voor het aanduiden van het belangrijkste spul in ons leven, in dit geval niet sneeuw maar zand. Zakzand (als uitgelekte yoghurt), slofzand, ploeterzand (van de dorstige in de woestijn), botoxzand (opgespoten maar nog niet ingeklonken), sopzand, fopzand (met zo’n craquelé bovenlaagje waar je subiet doorheen zakt, even verneukeratief als een ijsvlies op het water) en gokzand (waar je het ene moment in wegzakt en een meter verder prima op loopt zonder dat er enig verschil is te zien). We hebben ook een gebarentaal ontwikkeld om elkaar uit de verte de staat van het zand aan te geven.

Maar vandaag is er maar één soort zand die ons bezighoudt: waaizand. Een regelrechte zuidwesterstorm blaast ons voort over een van God en alle mensen verlaten strand. Een dichte nevel van zanddeeltjes wordt nog sneller voortgestuwd dan wij, het lijkt wel zo’n zandstorm uit de Sahara. Windkracht tien, schreeuwt de uitbater van paviljoen ZuidCoast, die bezig is dikke balken op zijn dak te leggen en ons daarna binnen nodigt voor koffie en een boterham.

Happend naar adem, met tranende ogen passeren we Zandvoort. Ongelofelijk dat juist hier de moeder aller uitwaaierijen ons om de oren vliegt. Ik heb wel eens geprobeerd een stel Braziliaanse vrienden dat begrip ‘uitwaaien’ uit te leggen. Had je strand in Nederland?, wilden ze weten. En mooie meisjes? Met bikini’s en topless badpak?

Jazeker, antwoordde ik. We hebben heel veel strand en zand en mooie meisjes. En ze hebben allemaal bikini’s en monokini’s aan – alleen zie je dat niet, want ze hebben er een warme borstrok overheen, en nog een trui en een overgooier. Dat moet, want het mooie van onze kust is dat het er altijd waait.

Maar dan kun je helemaal niet meer zien dat het een meisje is, protesteerden mijn Braziliaanse vrienden geschrokken.

Ho ho, riep ik, da’s niet waar! Je kunt het verschil heel goed zien, want de meisjes hebben bovendien nog een rafelige trui of een verschoten legerjack om hun middel geknoopt, en de jongens niet. Veel maakt het verschil trouwens niet uit, ging ik verder, want uitwaaien is iets dat je best in je eentje kan doen. En dat was het eind van mijn pogen het Nederlandse strandgevoel voor de Brazilianen te verklaren.