Opinie

Politiecontrole mag nooit uitlopen op eigen sancties van het gezag

Burgerrechten

Commentaar

Wanneer gaat intensieve politiecontrole over in pesten en dus in onrechtmatig overheidshandelen? Die vraag dringt zich op na het NRC-artikel over het ‘kat-en-muisspel’ dat de Haagse politie en een groep van 72 overlastgevende jongeren vanaf 2012 met elkaar speelden. Het gerechtshof in Den Haag oordeelde in mei dat de politie binnen de perken van de wet is gebleven. Maar hopelijk is het laatste woord daar nog niet over gezegd.

Het indringende verslag van de deels criminele ‘Drevenboys’ laat zien hoe kwetsbaar burgerrechten zijn en hoe mager de rechtsbescherming in de praktijk is, als de gemoederen hoog oplopen. De zogeheten hotspotbenadering, waarbij de politie een bepaalde doelgroep zo dicht mogelijk ‘op de huid zit’, blijkt officieel bekend te staan als de ‘very irritating police-aanpak. Ze is gericht op verstoren, hinderen en dwarszitten. Die methode komt uit de kast als de politie geconfronteerd wordt met de problemen die uit de hand lopen, of al zijn gelopen. Er worden dan allerlei dagelijkse bevoegdheden gebruikt als cover om dicht bij het ongewenste verschijnsel te kunnen komen. Controle van ID’s, rijbewijzen en voertuigen bijvoorbeeld. Ook stelselmatig fouilleren, tassen en jassen doorzoeken van de verdachte groep hoorde erbij.

Om de aanwezigheid van de politie zichtbaar en voelbaar te maken – maar feitelijk bedoeld om de doelgroep te tergen en ook zo veel mogelijk te hinderen. Ter feitelijke afschrikking, mag aangenomen worden. Juridisch wordt dit onder artikel 3 van de Politiewet geschoven: de „daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde”, in overeenstemming met de rechtsregels. De politie zegt zelf dat de tijd van „aanspreken voorbij was” met deze jeugdgroep en er iets moest gebeuren. Er was een forse stijging van woninginbraken in die wijk geconstateerd – deze ‘hotgroup’ werd ervan verdacht en is er uiteindelijk ook deels voor veroordeeld. In die zin is het politieoptreden in ieder geval achteraf deels gelegitimeerd. Als gevolg van de politieaandacht kregen deze verdachten bekeuringen voor iedere bagatel die kon worden geconstateerd. Dat dergelijk ‘platcontroleren’ leidt tot verstoorde verhoudingen, vermoedens van discriminatie en wraakacties ligt voor de hand. De rechter keurde deze praktijk uiteindelijk goed, onder meer omdat de privacyinbreuk overzichtelijk bleef. De intensieve controle beperkte zich geografisch tot de wijk; daarbuiten werd er niet gevolgd of geobserveerd. En het doel stond in redelijke verhouding tot het middel.

Toch is hier sprake van een hellend vlak. Hoe je het ook keert of wendt, de bevoegdheid om een burger naar zijn ID te vragen is niet gegeven om dezélfde burger dag in, dag uit, weken achtereen door dezelfde agent daarvoor staande te laten houden. Hetzelfde geldt voor verkeerscontroles: zodra die ad hominem worden ingezet, verandert het karakter ervan. De intentie om een ‘vervelend’ effect te bereiken vreet de legitimiteit ervan aan. Het is een politiesanctie geworden. Het wordt ook voor de politieambtenaar zelf lastig een ‘gewone’ controle te onderscheiden van een die het strategische doel heeft vervelend te zijn.

De verdachte krijgt bovendien de indruk van vooringenomenheid – ook voor zijn omgeving zal de legitimiteit van politie-ingrijpen niet meer vanzelf spreken. Wie ‘irriteren’ van de burger als officiële strategie kiest, moet niet vreemd opkijken als dat het vertrouwen in een eerlijke bejegening aantast. Ook strenge controles moeten altijd correct zijn.