Opinie

Ontrouw

Ellen Deckwitz

Thuis was bijna alles mogelijk: onder het toeziend oog van mijn ouders rookte ik op mijn elfde mijn eerste sigaret (en kreeg toen ook maar meteen het eerste biertje voorgezet). Het enige taboe was alles dat met Japan te maken had, omdat mijn grootmoeder in een jappenkamp had gezeten. Dus geen Japanse elektronica, geen Japanse auto, geen Japanse keuken. En zo was ik van kindsbeen af geobsedeerd door dat land, verzamelde in het geniep kimono’s, las als tiener Mishima en Tanizaki en kon al sushi maken in een tijd waarin de rest van Nederland nog dacht dat wasabi een schoonmaakmiddel was.

Daarnaast bleek mijn jeugd ook nog eens ongevraagd doordrenkt met bepaalde elementen van de Japanse cultuur. Mijn grootmoeder had in het kamp een spoedcursus wreedheid genoten die ze vervolgens gebruikte om haar nazaten onder de duim te houden. Tikken uitdelen met nat houten keukengerei, je iets lekkers beloven en het vervolgens voor je neus opeten. Uren geknield naar de muur zitten als je te luidruchtig was geweest.

Toen ze vijf jaar geleden stierf verwachtte ik dat mijn Japan-obsessie met haar zou verdwijnen, maar deze bleek hardnekkiger dan ooit. Ook al was de aanleiding ervan verdwenen, het verzetten bleef. Begin dit jaar belde ik mijn moeder om te vertellen dat ik op een veiling een paar prachtige antieke netsukes – Japanse gordelknopen – op de kop had getikt. Zuchtend vroeg ze wanneer ik dat land nou eens ging bezoeken.

‘Nooit”, zei ik resoluut, „Dat zou voelen als ontrouw.” „Het zou een helende vorm van ontrouw zijn”, zei ze. Na enige twijfel over deze uitspraak (plus wat die over het huwelijk van mijn ouders zei) boekte ik een ticket.

De afgelopen weken trok ik door Japan. Van trouweloosheid had ik geen last gedurende de reis. Wel van gemis. Ergens had ik verwacht dat ik met deze ultieme daad van ontrouw mijn grootmoeder weer kon laten verschijnen. Dat ze vanuit de massa zou opduiken om me in mijn kraag te vatten, me af te ranselen, scheldend wat ik hier deed, in het land dat haar zoveel had aangedaan. Maar het was stil. Geen tik in mijn nek, geen ruk aan mijn oor. Waar ik in de jaren na haar dood bij haast alles wat ik deed wel haar afkeurende stem hoorde, was er nu leegte. Opeens was ze echt weg.

Misschien was ik nu écht van haar genezen. In plaats van opluchting veroorzaakte die gedachte vooral verdriet. Wat miste ik opeens de ziekte die haar aanwezigheid was, de koortsstuipen die ze veroorzaakte, de ijldromen aan minderwaardigheidsgevoelens maar vooral de vergeefse hoop dat wanneer ze er niet meer zou zijn, alles pas écht beter werd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.