Opinie

Maak na de Brexit het Engels eindelijk officieel lingua franca

Europese Unie Met het vertrek van de Britten uit de EU is Engels een neutrale taal geworden. Dat biedt een uitkomst, schrijft .

Donald Tusk was sinds 2014 voorzitter van de Europese Raad. De regeringsleiders werden het onder zijn leiding niet eens over één Europese bestuurstaal.
Donald Tusk was sinds 2014 voorzitter van de Europese Raad. De regeringsleiders werden het onder zijn leiding niet eens over één Europese bestuurstaal. Foto Sebastien St-Jean AFP

Het vertrek van de Britten uit de Europese Unie is op taalgebied een buitenkans: het neemt het laatste beletsel weg om Engels te omarmen als Europese lingua franca.

Toen een verdeeld Verenigd Koninkrijk in 2016 voor de Brexit stemde, zagen veel fans van het Duits en vooral het Frans hun kans schoon: de Engelse taal moest in Europa een flink toontje lager gaan zingen. Zo vond Europarlementariër Johannes Singhammer (CSU) dat het afgelopen moest zijn met de discriminatie van het Duits en het Frans. Jean-Claude Juncker himself schakelde halverwege een toespraak demonstratief over van Engels op Frans. En in dagblad Le Figaro mocht de Franse officier Thomas Miailhes pleiten voor de Franse taal als ‘heroveringsinstrument’.

Op het eerste gezicht hebben zij een punt. Op dit moment spreekt 13 procent van de EU-bevolking Engels als moedertaal, 18 procent Duits en 12 procent Frans. Die drie zijn dan ook de officiële werktalen van de Europese Commissie; in de praktijk overheerst het Engels. Maar na de Brexit daalt het aandeel Engelstaligen in de EU-bevolking tot 1 à 2 procent, waarvan de meesten Ieren of expats zijn. Dat is minder dan het Nederlands of het Hongaars. Het Duitse aandeel stijgt tot 21 procent, het Franse tot 14 procent.

Het lijkt logisch dat de grootste talen de grootste rol in het bestuur toekomt. Maar die logica getuigt meer van machtswellust dan van wijsheid of historisch besef. De ervaring leert: als de bevolking vele talen spreekt, is het riskant om aan een van de ‘machtigste’ talen een bijzondere rol te gunnen.

India probeerde dat in de jaren zestig. Bloedige onlusten waren het gevolg, en uiteindelijk gaf de regering de minderheden hun zin: naast het Hindi bleef ook het neutrale Engels een officiële taal. In de Sovjet-Unie was het Russisch heer en meester, en dat heeft Estland, Letland, Litouwen en Oekraïne opgezadeld met een erfenis van talige rancune en strijd. Het kiezen van een bestuurstaal is, kortom, een precaire kwestie. Meerderheden en zeker grote minderheden spelen met vuur als ze hun moedertaal opdringen.

Moedertaal van de minderheid

Hoopgevende voorbeelden zijn er gelukkig ook. Een veeltalig land als Mozambique maakte het Portugees tot staatstaal: niemands moedertaal, maar wel neutraal. Tanzania deed datzelfde met een wijdverbreide handelstaal, het Swahili. En het mooiste voorbeeld komt uit Indonesië. Bijna de halve bevolking spreekt Javaans, maar de leiders lieten bij de onafhankelijkheid in 1945 wijsheid prevaleren boven taalchauvinisme: als bestuurstaal kozen zij het Maleis, dat ze omdoopten tot ‘Indonesisch’. Het was de moedertaal van een kleine minderheid, maar door een historisch toeval werd het ook gesproken door handelaren en ambtenaren in het hele land. Nu, driekwart eeuw later, beheerst de grote meerderheid van de bevolking het Indonesisch als tweede taal. Indonesië heeft tal van conflicten gekend, maar geen taalstrijd.

Wat leren we daarvan? Als de bevolking veeltalig is, kan men het beste een neutrale bestuurstaal kiezen, een met weinig (binnenlandse) moedertaalsprekers. Als die ook nog eens redelijk wijdverbreid is als tweede taal, zoals het Swahili of het Maleis, is dat een enorm voordeel.

Dankzij de Brexit verkeert de EU binnenkort in dezelfde bevoorrechte omstandigheden als Tanzania en Indonesië. Een taal die vrijwel niemands moedertaal is, wordt gesproken door een grote minderheid – het Engels dus. En aangezien 86 procent van de Europese leerlingen in het voortgezet onderwijs die taal leert (meer dan het dubbele van Frans en Duits samen) zal onder jongeren het Engels zelfs een meerderheidstaal zijn. Dat de heren Juncker (64) en Singhammer (66) zich tegen het Engels afzetten, zal mede een generatiekwestie zijn.

Als EU-lid waren de Britten 46 jaar lang irritante dwarsliggers, maar hun erfenis is het misschien waard geweest: eindelijk heeft de EU een neutraal communicatiemiddel, een ‘niemandstaal’ waarin iedereen zich ongeveer even goed (en even onvolmaakt) kan uitdrukken, een taal waarin de Europeanen op voet van gelijkheid kunnen onderhandelen en debatteren.

Nu maar hopen dat de Europese leiders zich niet door de Sovjet-Unie laten inspireren, maar door Indonesië.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.