Nederlandse militairen op weg naar Srebrenica, 1994.

Foto Ed Oudenaarden

Hollandse helden zijn gedoemd van hun voetstuk te vallen

Interview Christ Klep, militair historicus Een militair moet een held en een goed mens zijn maar tegelijkertijd ook mensen kunnen doden. Dat toont volgens historicus Christ Klep dat de militaire identiteit van Nederland verkrampt is. „Geen ander land komt zo in conflict met haar verheven zelfbeeld.”

Majoor Marco Kroon is niet alleen een held die zich dapper gedroeg in de strijd in Afghanistan. Hij wordt ook gepresenteerd als een goed mens die door toenmalig koningin Beatrix is onderscheiden met de Militaire Willems-Orde, een decoratie voor „moed, beleid en trouw”, zoals het officieel heet.

Geen wonder dat het met Hollandse helden soms misgaat, schrijft militair historicus Christ Klep in zijn pas verschenen boek Van wereldmacht tot ‘braafste jongetje’. Tijdens een gesprek in zijn woonplaats Oudenbosch zegt hij: „Kroon is door Defensie en anderen voorgesteld als een ultieme held en een zuiver persoon, begonnen als eenvoudig marinier en opgeklommen tot een fantastisch leider. Door een oorlogsheld zonder voorbehoud op zo’n hoog moreel voetstuk te plaatsen, gaat het mis.”

Kroon werd later veroordeeld voor verboden wapenbezit en staat binnenkort weer voor de rechter, nu op verdenking van mishandeling van politieagenten. In de media wordt hij aangeduid als gevallen held.

Nederland gaat anders met zijn helden om dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, zegt Klep. Daar zouden zulke aanvaringen met justitie niets afdoen aan zijn getoonde heldenmoed. „Daar wordt bij het toekennen van een onderscheiding meer gekeken naar zijn of haar krijgshaftigheid.”

De omgang met Kroon toont volgens Klep hoe „verkrampt” Nederland omgaat met de krijgsmacht. De Nederlandse samenleving en de politiek koesteren even hoge als onrealistische verwachtingen van de militairen, die tegelijk én dodelijk geweld moeten gebruiken én schone handen moeten houden. Mede daardoor wordt er bijvoorbeeld zelden gesproken over burgerslachtoffers die mogelijk zijn gevallen bij Nederlandse bombardementen in Irak en Syrië in de periode 2014-2018.

Ook het rechterlijke oordeel vorige week, over mogelijke misdragingen van vijf deels voormalig militairen in de kazerne van Schaarsbergen, illustreert die verkramptheid, aldus Klep. Enerzijds sprak de militaire strafkamer de militairen vrij bij gebrek aan bewijs. Anderzijds was die ervan overtuigd dat misstanden in de kazerne hadden plaatsgevonden.

Is het niet goed dat de rechter hier naar kijkt?

„Ja, maar de militaire kamer is wel een burgerlijke rechter, die oordeelt vanuit een sterk burgerlijk perspectief. Het is de vraag of die genoeg voelsprieten heeft om de bijzondere mechanismen in de krijgsmacht te doorgronden. Militairen doorlopen een socialisatieproces, zeg maar een ontgroening, ze worden anders dan burgers en zien die burgers ook als buitenstaanders. Wie naar buiten treedt, geldt automatisch als verrader. Dus als militairen die stap zetten, dan is er echt iets aan de hand. Maar het lijkt erop dat de rechter de Schaarsbergen-zaak sec beoordeeld heeft, alsof dit in de gewone maatschappij precies hetzelfde gaat. Dat is niet zo.”

Wat is het alternatief?

„Dat is lastig te zeggen. Tot begin jaren negentig zouden zulke gevallen als in Schaarsbergen voor de krijgsraad zijn gekomen. Die had ook nadelen, namelijk dat militairen elkaar beoordeelden. Maar de verburgerlijking van de rechtspraak kent ook duidelijk zijn beperkingen, zoals uit het geval van Schaarsbergen blijkt. Ze staat haaks op een andere beweging bij de krijgsmacht: die van dienstplichtigenleger naar beroepsleger. Dat geeft spanningen met de verburgerlijking van de rechtspraak.”

In zijn boek gaat Klep in op de vraag hoe hooggestemde morele verwachtingen de militaire identiteit van Nederland hebben gestempeld. Ze blijken allereerst uit de Grondwet. Artikel 90 schrijft voor: „De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.”

Het bracht onder meer zeer gedetailleerde geweldsinstructies voor het leger met zich mee bij ‘vredesmissies’. Met name in Afghanistan leidde dat tot een spagaat. Waar de krijgsmacht tussen 2006 en 2010 in de Afghaanse provincie Uruzgan louter politietaken mocht vervullen, werd er in de praktijk domweg gevochten.

Buitenlandse collega’s zeggen: als je een echte militaire cultuur wil, moet je accepteren dat dingen misgaan

Nederland is hierin niet uniek, schrijft Klep. Ook landen als Canada stellen zichzelf zo’n politieke opdracht. Maar geen ander land kwam zo hardhandig in conflict met haar verheven zelfbeeld als Nederland. Onder Nederlandse militaire protectie werden in 1995 meer dan achtduizend moslimmannen vermoord door het Servische leger van Ratko Mladic.

Deze maand deed de Hoge Raad uitspraak in een van de lopende rechtszaken rond Srebrenica, over de verantwoordelijkheid van Dutchbat voor de moslimmannen op de compound. De Hoge Raad oordeelde dat Nederland slechts heel beperkt – voor tien procent – aansprakelijk is voor hun dood.

Wat zegt het dat we een kwart eeuw later nog bezig zijn met Srebrenica?

Lees meer over de uitspraak van de Hoge Raad over Srebrenica

„Het zegt iets over onze aansprakelijkheidscultuur en onze sterk gewortelde humaniteitscultuur die brede steun geniet. Maar buitenlandse collega’s zeggen tegen mij: als je een échte militaire cultuur wil, dan moet je accepteren dat dingen misgaan. Als ik hun vertel over hoe Srebrenica nog speelt bij ons, luisteren ze met open mond en vragen: wat hadden jullie dan gedacht? Dat het allemaal goed zou gaan? Dat de VN zou komen helpen, dat de Fransen zouden bombarderen? Zij zeggen: ‘Get over it’.”

Gaan andere landen op een andere manier om met militaire debacles?

„Bij de Canadezen is begin jaren negentig behoorlijk wat misgegaan bij de missie in Somalië, daarbij zijn twee Somalische jongens vermoord. Het gevoel was daar: we leren ervan en zetten de volgende stap. In Nederland missen we de gehardheid om snel stappen te zetten in het leerproces en door te gaan.”

Vindt u het niet prijzenswaardig dat we de rechtsorde die we internationaal nastreven, ook loslaten op ons eigen handelen?

„Dat is het zeker en dat maakt ons internationale streven geloofwaardiger. Mijn punt is echter dat we hierin geregeld doorslaan en doen alsof alles netjes geregeld kan worden, terwijl de militaire praktijk niet zo is.

Christ Klep Foto Leo van Velzen

„Ik geef een ander voorbeeld. Begin juli is een medaille uitgereikt aan een marinier die in Mali een auto, volgeladen met explosieven, tijdig tot stilstand bracht. De marinier bleef staan toen de pick-up kwam aanscheuren en vuurde. Op 25 meter ontplofte de auto. De drukgolf blies hem en zijn collega’s omver. Wonder boven wonder viel er slechts één gewonde. De marinier heeft de autobestuurder uitgeschakeld en de bom tot ontploffing gebracht, er waren slechts een paar lichtgewonden. Hij is blijven staan, maar had overhoop gereden of weggeblazen kunnen worden.

„Deze gebeurtenis kent tot mijn verbazing bijna niemand. Terwijl ik als Defensie deze ultieme held overal voor de camera zou laten verschijnen. Toegepast op Srebrenica zou het ultieme morele argument zijn geweest: wat als bij wijze van spreken een militair voor Mladic was gaan staan, zijn shirt had opengetrokken en had gezegd: ‘Over mijn lijk. Kom maar op!’ Nu dachten we pragmatisch: ‘Als we ons verzetten, gooien de Serviërs de hele stad plat en sterven er 30.000 mensen’. En dus droeg Dutchbat de moslimmannen over aan de Serviërs”.

Neutraliteit

Het pragmatisme heeft een lange voorgeschiedenis, schrijft Klep, bijvoorbeeld in de neutraliteitspolitiek tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daar kwam nog de lange periode van vrede na de Tweede Wereldoorlog bij. Klep: „De ironie van de Koude Oorlog was dat we ruimte hadden om eindeloos te discussiëren, omdat we niet hoefden te vechten. Toen is onze krijgsmacht nog verder verburgerlijkt – iets wat je elders ook wel zag, maar bij ons heel ver ging. In de jaren zestig kregen we een vakbond voor dienstplichtige militairen, uniek in de wereld. Die vakbond eiste en kreeg toeslagen voor werken in het weekend. Toen ontstond de cao-cultuur en die is blijven hangen.”

Toen Nederland in de jaren negentig alsnog een beroepsleger kreeg, is geprobeerd om een krijgshaftiger saus over het leger te smeren, zegt Klep. „Toenmalig bevelhebber Couzy wilde bijvoorbeeld af van het 9-tot-5-leger. De krijgsmacht moest een 24-uursbedrijf worden. Dat mislukte in elk geval deels. Het is nog steeds zo dat als je vrijdagmiddag 5 uur een kazerne binnenloopt, de meeste mensen weg zijn.

„En wat dacht je van onze mariniers? Hun motto is: Qua patet orbis: zo wijd de wereld strekt. Maar wat blijkt nu? Ze willen niet verhuizen van Doorn, waar hun kazerne zit, naar Vlissingen, omdat ze net een huis op de Veluwe hebben gekocht en hun vriendinnen in Zeeland misschien geen baan kunnen vinden.

Ook de Zeeuwse bevolking ziet de komst van de mariniers inmiddels niet meer zitten

Dat is de Nederlandse spagaat van een militair en tegelijkertijd ook burgerlijk bestaan. Ik vind dat burgerlijke prima zolang het kan, maar vind ook dat het militaire voorrang moet hebben.”

In uw boek citeert u de Israëlische militair historicus Martin van Creveld. Hij zegt dat je alleen een militaire natie kunt zijn door af en toe een bloedige oorlog uit te vechten. Vindt u dat ook?

„Ik erken het als realiteit. Natuurlijk vind ik niet dat militairen moeten sneuvelen en moeten doden, maar het hoort er wel bij. Dat is de centrale stelling van mijn boek. Waarom voert het Israëlische leger soms acties uit die schijnbaar onnodig zijn? Om praktijkervaring op te doen. Het is fascinerend dat velen in de krijgsmacht ook vinden dat we af en toe echt oorlog moeten voeren maar dit niet durven te zeggen.”

Waarom doen ze dat niet?

„Omdat militairen te bang zijn voor de politiek. Samuel Huntington stelt in zijn standaardwerk The Soldier and the State: militair zijn is een vak en een heel bijzonder vak. Dat is de enige groep die we het recht hebben gegeven om te doden, of gedood te worden. Dat vereist, schrijft Huntington, een grote mate van autonomie in de eigen besluitvorming. In Nederland worstelt de huidige commandant der strijdkrachten Rob Bauer daarmee. Bauer zou graag een opperbevelhebber willen zijn en meer ‘nee’ willen zeggen tegen de politiek, zo bleek bij zijn aantreden. Maar ook hij is ingekapseld in de ambtelijke top: hij zit op het niveau van directeur-generaal! Kijk maar wat er gebeurt als de minister en staatssecretaris van Defensie overleggen met de Tweede Kamer. Bij een vraag kijkt de minister eerst naar de staatssecretaris en dan naar de secretaris-generaal naast haar. Ik zou willen dat de commandant der strijdkrachten méér op de voorgrond treedt. Hij is de professional bij uitstek.”

Een burgerlijk doel waarmee de krijgsmacht te maken kreeg, is het streven naar meer vrouwen. Daar kwam weinig van terecht. Slechts een op de negen militairen is vrouw. Hoe komt dat?

Interview met generaal-majoor buiten dienst Patrick Cammaert: ‘Ik heb zelf gezien welk verschil vrouwen maken bij VN-missies’

„Nederland doet echt al járen zijn best om meer vrouwen in de krijgsmacht te krijgen, meer dan de meeste andere landen. Dat het desondanks niet goed lukt, is volgens mij niet alleen een kwestie van witte mannen in de krijgsmacht die er geen zin in hebben. Naar mijn mening spelen hier twee diepere, onuitgesproken kwesties, die als ik ze wel benoem, altijd leiden tot gefronste wenkbrauwen.

„Allereerst is er het diepgewortelde gevoel in de samenleving van: ‘Vrouwen geven het leven, ze nemen het leven niet’. Dat gevoel zit ook in de krijgsmacht. Ten tweede is er het idee dat als het gevecht begint en er doden vallen, dat mannen in de biologische beschermingsreflex schieten en de vrouwelijk collega’s gaan beschermen.

„Daar is weinig goed onderzoek aan gedaan, maar ik denk wel vaak aan de Amerikaanse vrouwelijke soldaat die in 2003 krijgsgevangen werd genomen in Irak. De morele vraag die er boven hing was: ‘Oh god, als ze maar niet verkracht wordt.’ Dat is een vraag die je ook over een man kan stellen. Maar bij een vrouw wordt die eerder gesteld en dat bevestigt mannen in de krijgsmacht in het sluimerende idee dat je toch liever geen vrouwen in de frontlinie moet hebben.”

Correctie (31 juli 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond dat de Nederlandse krijgsmacht tussen 2006 en 2010 actief was in de Afghaanse provincie Kunduz. Het ging om de provincie Uruzgan. In Kunduz was Nederland tussen 2011 en 2013 actief met een politietrainingsmissie. Dat is hierboven aangepast.