De hoop dat misdaad niet loont

Zap

John van den Heuvel tijdens Zomergasten.
John van den Heuvel tijdens Zomergasten.

‘Ja, nou?”, vraagt Sonja Barend in 1985 aan Stanley Hillis. Even daarvoor waren de slachtoffers van zijn bankovervallen ter sprake gekomen en hoe ze nog steeds trilden van angst wanneer alleen al de naam van de crimineel viel. „Ja, nou”, antwoordt Stanley Hillis daarop, om er vervolgens niet meer uit te komen. Over slachtoffers denk je niet na, dat was duidelijk. Dat deed Cor van Hout ook niet toen hij in 1985 samen met een onderuitgezakte Willem Holleeder door Tros Aktua werd gevraagd of hij nog wel eens moest denken aan wat Freddy Heineken en Ab Doderer wekenlang hadden moeten doorstaan. „Ja, weken!”, wierp hij verontwaardigd tegen, hij zat al máánden in onzekerheid over wat de Franse justitie over zijn lot zou beslissen.

Beide interviews waren pr-momenten voor de onderwereld, zij het dat ze er misschien niet zo fraai uitkwamen als ze hadden gehoopt (al is de uitspraak van Stanley Hillis: „Ik zie de mens als gemeengoed dat moet blijven leven” wel om in te lijsten). Op begrip konden ze toen al niet rekenen en wie nu naar deze twee fragmenten keek – die door Zomergast John van den Heuvel waren uitgekozen – zag een crimineel die door zijn pruik en bril enorm op een typetje uit Van Kooten en de Bie leek, en een Holleeder die nog moest werken aan zijn presentatie, die hij vervolmaakt had toen hij in 2012 te gast was bij College Tour.

De eerste zomergastenavond had dan ook twee gezichten. Ook letterlijk: misdaadjournalist John van den Heuvel zelf heeft een gezicht dat uit twee helften bestaat. Aan de ene kant, voor de kijker rechts, zie je het gezicht van de ex-politieagent en misdaadjournalist die vooraan wil staan en met de primeur wil komen. De andere gezichtshelft toonde de wat opener man, die naar programma’s als Spoorloos kijkt, zich herkennend in verhalen van kinderen die er laat achter komen dat hun ouders niet hun biologische ouders zijn.

Het is enerzijds het gezicht dat innemend de camera in kijkt wanneer hij vertelt dat hij op zijn 15de pas hoorde dat zijn vader niet zijn biologische vader was, en over de kwaadheid die hij toen voelde. Sterk is Janine Abbring wanneer ze doorvraagt over Van den Heuvels biologische vader, die hij tot op de dag van vandaag niet heeft willen achterhalen. Het is een moment dat je heel even wat angst afleest in het gezicht van de man die constant bewaakt moet worden. Die open helft laat zich ook zien op het moment dat de redactie hem heeft kunnen spotten in een filmpje uit 1975 wanneer PSV landskampioen wordt.

Het grootste deel van de avond draaide het echter om de gezichtshelft van de harde journalist, die de krakersrellen beschrijft vanuit het perspectief van de ME, waar hij zijn carrière was begonnen, en een martelscène met kettingzaag toont uit de film Scarface. Van den Heuvel keek daar met zijn vrouw naar toen hij zelf undercover was. Ja, toen dacht je nog wel over wat hij eigenlijk aan het doen was. De film paste bij de vele andere fragmenten die hij had uitgekozen, met allemaal dezelfde moraal, „dat misdaad niet loont”.

Het waren bij dergelijke algemeenheden dat je verlangde naar de Sonja Barend-vraag: ja, nou? De ene keer omdat je graag meer wilde horen, bijvoorbeeld toen hij over het verschil sprak tussen de drugswereld in de jaren tachtig en nu. Andere keren om het Van den Heuvel iets minder makkelijk te maken door bijvoorbeeld door te vragen waarom hij speechte bij de begrafenis van John Mieremet. Waarom hij blij was voor de zusjes van Holleeder toen hun broer levenslang kreeg, terwijl Astrid Holleeder in een schitterend interview in de Volkskrant juist vertelde dat ze na deze uitspraak meent dat het uitgesloten is dat ze dit overleeft, of over zijn ergernis over Peter R. de Vries. Abbring kwam er niet aan toe, en keek aan het slot alsof ze hem wel wat meer PSV had gegund.