Wachtgeld: een veilig gevoel na een onzekere baan

Na het ambt Wachtgeldregelingen roepen vaak publieke weerstand op. Daarom zijn ze de laatste jaren versoberd. Maar overbodig zijn ze niet.

Illustratie Roland Blokhuizen

In eerste instantie weet oud-wethouder Ulla Eurich (59) niet of ze het wel over wachtgeld wil hebben. „Het zou zich alsnog tegen me kunnen keren.” Het is dan wel zo’n zeven jaar geleden dat Eurich na tweeënhalf jaar als wethouder van Aalsmeer stopte en wachtgeld kreeg, maar ze laat naar eigen zeggen „liever geen stof opwaaien”. Eurich besloot haar eenmanszaak als consultant, die ze voor haar wethouderschap al had, weer op te pakken. En die loopt nu eindelijk goed.

Overdreven voorzichtig is het niet, dat Eurich terughoudend is om over wachtgeld te praten. „Google het woord maar eens, en je ziet enkel een negatief beeld”, zegt Mark Bovens, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht en lid van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid. Als het over wachtgeld gaat, lijkt het beeld van graaiende politici, die thuis op de bank belastingcenten opstrijken, inderdaad de boventoon te voeren. In artikelen over wachtgeld wordt gefocust op misstanden, óf wordt berekend hoeveel wachtgeld iemand wel niet kreeg in een bepaalde periode.

Zo telde actualiteitenprogramma EenVandaag vorige maand de bedragen op die in vijf jaar tijd aan politieke ambtsdragers zijn uitgekeerd. Oud-wethouders (126 miljoen euro), oud-gedeputeerden (8 miljoen) en voormalig ministers, staatssecretarissen en Kamerleden (in totaal 20 miljoen euro) komen er op die manier niet goed vanaf.

Met enige regelmaat voorkomende excessen bevestigen dat beeld alleen maar. Onlangs bleek uit onderzoek van NRC bijvoorbeeld dat Madeleine de Cock Buning, oud-bestuurder van het Commissariaat voor de Media, over een periode van tien jaar 6,5 ton wachtgeld krijgt, terwijl er óók kritiek was op haar functioneren.

Uitkering

Waar praten we eigenlijk over als we het over wachtgeld hebben? En is het terecht om wachtgeld incasseren als zakkenvullen te bestempelen?

„Ik had verwacht mijn ambtstermijn af te maken”, vertelt Ulla Eurich. Maar dat liep anders. Ze vond de samenwerking binnen het college steeds slechter verlopen en besloot haar functie neer te leggen. Het wachtgeld dat ze de twee jaar daarna kreeg, gaf een „veilig gevoel”. Negatieve reacties kwamen er nooit. „Ik heb het gevoel dat ik het ook goed heb kunnen uitleggen.”

Wachtgeld is in feite een uitkering, waarop de circa 1.800 politieke ambtsdragers in Nederland recht hebben als zij hun ambt verlaten. Die groep bestaat voor het grootste deel uit wethouders, maar ook burgemeesters, gedeputeerden, ministers, staatssecretarissen en Tweede Kamerleden mogen gebruik maken van de wachtgeldregeling.

Wachtgeld krijg je totdat je een nieuwe baan vindt, voor maximaal drie jaar en twee maanden. Wie na minder dan twee jaar zijn ambt heeft verlaten, krijgt twee jaar wachtgeld, en bij minder dan drie maanden wordt dit ingekort tot een half jaar. In het eerste jaar krijgt men 80 procent, en daarna 70 procent van het laatstverdiende loon.

„Het woord wachtgeld klopt eigenlijk niet”, vindt Jeroen van Gool, directeur van de Nederlandse Wethoudersvereniging. „Je wacht niet op een baan, je moet een reïntegratietraject doorlopen en je hebt een sollicitatieplicht”, zegt hij.

„Ik heb niet twee jaar lang op de bank gezeten”, vertelt ook oud-wethouder Eurich. „Zo van: de gemeenschap heeft veel aan me gehad, dus nu ga ik even rustig aan doen.”

„Nu is het frame: ze doen niks, ze wachten”, zegt ook hoogleraar Bovens. „Dat is meestal helemaal niet zo, maar toch blijft dat het beeld.”

Publieke weerstand

Wachtgeld is, ondanks de sollicitatieplicht, niet hetzelfde als een WW-uitkering. De bedragen zijn hoger én de termijn duurt langer. Bovendien maakt het voor het ontvangen van wachtgeld niet uit of iemand ontslag neemt, niet wordt herkozen of benoemd, of gedwongen moet vertrekken. De reden voor het vertrek doet er kortom niet toe.

En juist dát element van de wachtgeldregeling roept in de publieke opinie vaak weerstand op. Daar komen voorbeelden als de 6,5 ton van De Cock Buning, nog bij. Ambtenaren in (semi-)publieke instellingen, zoals De Cock Buning bij het Commissariaat voor de Media, krijgen sinds 2001 officieel geen wachtgeld meer, maar een WW-uitkering. Haar regeling kwam echter nog uit de tijd daarvoor.

In de praktijk ontvangen ambtenaren echter ook ná 2001 nog een bovenwettelijke uitkering, om het verschil met de WW te compenseren. „In de volksmond wordt dat wachtgeld genoemd”, zegt advocaat Koen Vermeulen, gespecialiseerd in onder andere ambtenarenrecht. „Dat leverde ambtenaren de afgelopen jaren uitkeringen op van soms wel twaalf jaar tegen 80 procent van het laatste salaris.”

Vond een ambtenaar in tussentijd geen andere baan, dan kwam het totaal soms uit op een paar ton. Die bovenwettelijke uitkering gaat volgend jaar in veel overheidssectoren alsnog op de schop. En door de Wet normering topinkomens (WNT) uit 2015 mag een ontslagvergoeding niet langer meer bedragen dan 75.000 euro. Gevallen als dat van De Cock Buning zullen volgens de advocaat daarom geleidelijk minder voorkomen.

Onzekere positie

„De Tweede Kamer wil elke schijn van zakkenvullen vermijden”, zegt hoogleraar Bovens. „Daarom is vooral de lengte van het wachtgeld de laatste jaren sterk teruggebracht.” Gemeenteraadsleden en leden van de Provinciale Staten hebben sinds 2014 en 2015 helemaal geen recht meer op de regeling.

Waarom het wachtgeld, naar een wetsvoorstel dat de SP vorig jaar indiende, dan niet helemaal gelijktrekken met de WW-uitkering?

„Het wachtgeld hoort bij het geleverde werk en de onzekere positie die je hebt”, zegt Van Gool van de Wethoudersvereniging. Politieke ambtsdragers hebben geen ontslagbescherming. Daar mag volgens hem wel iets tegenover staan. Bovendien is hij bang dat verdere versobering het beroep niet langer aantrekkelijk maakt. „En zonder politieke ambtsdragers, geen goed functionerend openbaar bestuur.”

De grootste zorg van hoogleraar Bovens betreft de wethouders. „Voor de kwaliteit van ons bestuur is het heel belangrijk voldoende mensen te vinden die wethouder willen zijn. De vermindering van het wachtgeld vindt plaats in een tijd dat de onzekerheid als politicus juist groter is geworden.”

De kiezer is wispelturiger in zijn stemgedrag, legt Bovens uit, waardoor de baanzekerheid enorm is verminderd. Bovendien is het nooit zeker dat een wethouder zijn ambtstermijn af kan maken, terwijl zo iemand er wél zijn of haar vorige baan voor heeft moeten opzeggen. „En toekomstig werkgevers denken wel drie keer na voordat ze een wethouder aannemen”, zegt Van Gool. Dat komt volgens hem door het idee dat ze eigengereid zouden zijn. „Een onterecht vooroordeel.”

„Dat ik wethouder was geweest, werkte bij het opzetten van mijn bedrijf tegen me”, beaamt Eurich. „Wat je daarvóór deed, bestaat voor veel mensen ineens niet meer.” Haar politieke ‘kleur’, uiteraard algemeen bekend, werkte in gesprekken met cliënten ook nog weleens tegen. „Het duurde lang voordat ik me daaraan had ontworsteld.”