Opinie

De heetste dag ooit

Marcel van Roosmalen

In de namiddag van wat nu bekendstaat als ‘de heetste dag ooit’ besloten wij met onze dochters (2 en 3) achterop naar het HEM in Zaandam te fietsen, een culturele oase in dit gebied waar vooralsnog vooral Amsterdammers op afkomen.

Omdat ik inmiddels weet dat er geen lezerspubliek is voor gezinsgeluk beperk ik me hier tot de weg terug, dus na drie bier en heerlijk eten. De jongste had na een onverwachte poepexplosie tijdens het voorgerecht inmiddels geen luier meer om, ze vond steun bij haar beste vriend ‘Knuffie’, een stukje beduimeld stof waar ze zielsveel van houdt.

Vreemd wel dat ze hem tijdens de zware etappe om de zoveel kilometer weggooide om daarna te huilen hoe erg ze hem miste. Dan moesten we halsoverkop terug om ’m te zoeken, waarna ze ‘Knuffie’ weer in de armen sloot.

Waarschijnlijk ter hoogte van ‘De Adelaar’, een betonnen vogel op het dak van een voormalige zeepziederij te Wormerveer, moet de vriendin hebben besloten om het ding in haar tas te stoppen, maar dat was ze inmiddels vergeten toen we bijna thuis waren en de paniek voor de zoveelste keer toesloeg omdat ‘Knuffie’ weg was.

Iedereen huilen en schreeuwen.

Ik kreeg de opdracht om te draaien en door te fietsen totdat ik ‘Knuffie’ weer had. Ik heb heus wel overwogen om de kont tegen de krib te gooien, maar wat voor avond heb je dan?

Nee hoor, ik fietste wel terug.

Achterop zat de stemming er al weer in.

Ze bleef maar blijmoedig herhalen.

‘Hij is echt weg, waar is-ie nou? Papa weet het ook niet.” Net voorbij de Zaanse Schans zag ik een groep aan een picknicktafel in het gras zitten. Buitenlanders, toeristen natuurlijk, waarschijnlijk Chinezen. Een van die kinderen speelde met iets wits. Ik wist het na kilometers naar het asfalt staren zeker: daar was hij, onze knuffel. Ik stapte van de fiets en klom met een plakkerig kind op de arm over een hekje.

Ze zagen me al komen, ik moet er verwilderd hebben uitgezien. Zwaaiend en ‘hello!’ roepend.

Ik ging ‘Knuffie’ terugvragen, en als ze me niet begrepen zou ik hem terugpakken. En anders werd het maar vechten. Dat soort dingen fluisterde ik in haar oor.

Grote stappen.

Stop, de vriendin belde, ze waren in de tuin zo’n beetje geëxplodeerd van de hitte. Hoe was het met mij?

„Goed”, zei ik, „ik heb hem bijna …”

„Sorry schat”, zei ze, „hij zat in mijn tas.”

Ondertussen was de jongste erbij gaan zitten.

Ze deed tot groot enthousiasme van de Chinezen een plasje, ze lachten en applaudisseerden. Wij waren twee artiesten die van weiland naar weiland trekken. Ik pakte mijn kind, maakte een buiging en droop af, half struikelend bereikte ik mijn fiets.

Later zijn dit leuke herinneringen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.