Het kat-en-muisspel tussen de politie en de Haagse Drevenboys

Overlast De politie in Den Haag zat tientallen jongeren heel dicht op de huid, ook als ze geen strafblad hadden. De jongerenwerker zag het misgaan. Van verstoren tot pesten, over bekeuren en oppakken.

Het winkelcentrum in Dreven en Gaarden, een multiculturele buurt in Den Haag-Zuidwest.
Het winkelcentrum in Dreven en Gaarden, een multiculturele buurt in Den Haag-Zuidwest. Foto David van Dam

Tegenover het winkelcentrum zitten drie jongens op de rugleuning van een bankje. Wat ze hier doen? Eten. Drinken. Praten. „En af en toe fluiten naar een meisje.”

„Er zijn veel meisjes hier”, zegt één knikkend naar de overkant. „Vooral bij de Action.”

„Een crisiswinkel”, grapt een ander. „Bedoeld voor mensen als wij.”

Uit de borstzak van één van de jongens steekt een paspoort.

Of hij op vakantie gaat? Nee, „voor als de politie erom vraagt”.

Het is de zomer van 2018. De jongen met het paspoort uit zijn borstzak weet niet beter dan dat agenten hem vragen naar zijn identiteit. Hij is 22 jaar en opgegroeid in deze wijk. Dreven en Gaarden, een multiculturele buurt in Den Haag-Zuidwest waar het gemiddeld jaarinkomen per hoofd met 17.600 euro de helft is van het Nederlandse gemiddelde. Eerder werd hij als onderwerp van een nieuwe politiemethode, lik-op-stuk, bijna dagelijks naar zijn ID gevraagd. En in januari 2014 werd hij samen met tien anderen door tweehonderd agenten van het bed gelicht. De arrestatie van de ‘Drevenboys’ werd landelijk nieuws. De politiek bemoeide zich ermee, de term „straattuig” viel. En toen Geert Wilders twee maanden later zijn verkiezingsoverwinning in de Haagse gemeenteraad vierde, vroeg hij zijn publiek: „Willen jullie meer of minder Marokkanen?”

Het antwoord die avond toonde het heersend sentiment in Nederland. De politiek riep om repressie. Aanpakken die jongens. En de afkeer, die was wederzijds.

Dreven en Gaarden is een ruim opgezette wijk, ontworpen door stedenbouwkundige Willem Dudok. Tienduizend mensen op één vierkante kilometer. Vraag het de oudere bewoners, autochtone zeventigers, en ze vertellen dat de wijk vroeger dé plek was om te wonen. Ze hebben de buurt in de jaren zestig zien verrijzen op weilanden in het zuidwesten van Den Haag. Betonnen portiekflats, vier verdiepingen hoog, met binnentuinen en veel groen. Woningen met douches, wát een luxe. Ambtenaren en hoger geschoolde arbeiders die het konden betalen, trokken erheen. De buurt was gereformeerd, overal stonden kerken. Op straat zei men elkaar gedag en in het groen werden feestjes georganiseerd.

Met de komst van nieuwe wijken in Zoetermeer, Leyenburg, Wateringseveld, trokken veel bewoners verder. Vrijgekomen huizen gingen naar gastarbeiders, mensen met psychosociale problemen, bewoners uit de Schilderswijk die werd gerenoveerd. De buurt, zegt de oude garde, ging achteruit. Dreven en Gaarden werd anoniem en in de jaren nul waren er twéé gemeenschappen ontstaan: autochtone senioren en gezinnen met een niet-westerse achtergrond. Twee groepen die langs elkaar heen leven. Werelden die botsen, zichtbaar bij de laatste parlementsverkiezingen. Uitslag in de wijk: op één de PVV, op twee Denk.

Foto David van Dam

Wie hier als Marokkaans-Nederlandse jongere opgroeit, leeft op straat, en dan wordt er om je identiteit gevraagd. „ID-controle? Pffffffff. Zo váák”, klinkt het. Het kan zijn dat de jongere in kwestie na een misdaadmelding aan een bepaald signalement voldoet, bijvoorbeeld ‘lichtgetint’. Er is áltijd sprake van een legitieme reden, zoals opsporingsbelang, legt de politie hun graag uit. Maar in de haast van het moment gaat zo’n uitleg soms verloren en blijft bij jongeren hangen: „Ik líép gewoon.”

Signalementen noteren

In 2013 ging het anders. Toen vroegen agenten naar de identiteit van jongens die ze al kenden. Jongens die ze de dag ervoor, de week daarvoor, ook al naar hun ID hadden gevraagd. Iemand zonder reden om zijn legitimatie vragen, is niet toegestaan, maar in Dreven en Gaarden gold een ruimere interpretatie van de wet. Agenten noteerden signalementen van jongens als ze hingen op het voetbalveld, in de portieken, voor de pizzeria.

De jongens werden vervolgd en hun advocaten keken ervan op. Ze vroegen zich af: mag dit? Riekt dit niet naar etnisch profileren? In de rechtzaken die volgden legden ze de vraag voor aan de rechters en in mei dit jaar gaf het hof antwoord. Ja, het mag.

Maar, moet je het ook willen?

De jongen met het paspoort uit zijn borstzak, ook over hem is een politiedossier opgemaakt, 1.340 pagina’s, ingezien door NRC. Een agent omschrijft hem daarin als volgt: „Zwart glimmende schoenen, grijze spijkerbroek, zwarte trui met gele strepen op de armen, dun snorretje.” Hij is op dat moment zeventien jaar oud. Hij zit in het examenjaar vmbo en heeft geen strafblad.

Maar de jongen – hij wil niet met naam genoemd – hangt op dat moment volgens de politie rond met de verkeerden. Een groep van zeker dertig jongeren zorgt in Dreven en Gaarden al langere tijd voor overlast. De Drevenboys, zoals de politie ze noemt, zijn luidruchtig, hangen hinderlijk rond en hun graffitisymbool G&D – vrij naar Dolce en Gabbana – prijkt op gevels in de wijk. Een aantal van hen, de oudere jongens, twintigers, hadden al weleens gezeten voor diefstal. En samen met de jongere, sommigen minderjarig, zouden ze nu woninginbraken plegen. Foto’s van de jongens hangen op het nabijgelegen politiebureau Beresteinlaan aan de muur. „Tref je ze aan in de wijk”, luidt de dienstopdracht, „probeer dan zoveel mogelijk te noteren. Kleding, voertuigen, met wie zij omgaan.” Vier agenten worden ervoor vrijgemaakt.

Foto David van Dam

Het dossier van de jongen met het paspoort uit zijn borstzak groeit gestaag. Daarin staan ook de notities die de agenten over hem maken:

3 januari 2013: „Twee op snorfiets rijden. Toestemming doorzoeken, niets aangetroffen. Ontspannen, werkte mee, paspoort verlopen. Gezegd nieuwe volgende keer. ANDERS EEN BON!”

17 januari: „Auto met veel personen. Bij stoplicht stapt iemand uit en rent weg, lichtgetint. Twee personen ‘mini’ aangezegd wegens te veel personen in een auto en een verlopen paspoort. Bijdehand. Zes personen in auto.”

26 januari: „Staande houding groepje met zwarte capuchons. Controle.”

In het kader van de geïntegreerde aanpak, waarbij instanties met elkaar samenwerken, krijgen zijn ouders in februari dat jaar een brief van de woningbouwvereniging. Daarin staat dat vanwege het gedrag van hun zoon het huurcontract kan worden opgezegd. Er volgt een gesprek met de jongen en moeder en zus op het politiebureau. Strafbare feiten heeft hij dan nog altijd niet op zijn naam staan.

14 maart: „Tijdens rijden zien we man of vijf bij elkaar staan. Dikke gewatteerde jassen met capuchons. Groep stak over, tijdje op bruggetje gezeten, weer terug, tijdje in het bushokje gezeten. Naar AH gelopen om wat te drinken te halen. (…). Iedereen gefouilleerd. Niets gevonden.”

20 maart:„Drietal personen achter sporthal. Aangesproken en gecontroleerd. Verklaarden te wachten op een vriend, wilden niet zeggen welke.”

22 maart: „Zag drie personen lopen. Gecontroleerd en niks bijzonders bij zich.”

24 maart: „Aantal gasten zit in auto bij Mc Donalds’ te eten. Auto volgen, verdachte ‘bekkies’ (…). Staande gehouden. Een begint beetje irritant te doen over legitimatieplicht. Zou bureauchef gesproken hebben over dat dit onrechtmatig is. Gedreigd aanhouden als niet voldoen. Alle legitimatiebewijzen tevoorschijn weer.”

De politie had na een analyse geconstateerd dat een groep van in totaal 72 jongeren in de wijk rondhing. Zo’n dertig van hen groeiden door van ‘overlastgevend’ naar ‘crimineel’. Het aantal inbraken in de omgeving was gestegen en de politie had sterke vermoedens dat de Drevenboys ermee te maken hadden.

Op hen werd de ‘hotspotaanpak’ toegepast. Wie tot de ‘hotgroup’ behoorde en zich op hotspots begaf, kreeg een signalering op zijn naam. Code 250. ‘Verstoren’ is een van de doelen: dicht op de huid zitten volgens de VIP-methodiek (Very Irritating Police). Maar óók observeren: zien wat de jongens doen, met wie ze rondhangen. Informatiegestuurd politiewerk, zoals dat heet. Een werkwijze overgenomen uit de VS die sinds de jaren nul ook steeds meer gangbaar is in Nederland.

HIT-team

In 2012 formeert de politie in Gaarden en Dreven een HIT-team (Hotspot Interventie Team) met vier agenten op mountainbikes die zijn vrijgemaakt om de jongens te volgen, altijd en overal naar hun identiteit te vragen en hun signalement vast te stellen, inclusief van iedereen om hen heen.

De drie jongens op de rugleuning van het bankje schudden het hoofd.

„Elke dag kwamen ze langs.”

„Minimaal drie keer per week.”

„Hoe vaak hing af van wat voor zware jongen je was.”

„Soms zaten we létterlijk alleen maar op een bankje.”

„Dan stopten ze, gingen ze voor je staan met een notitieblok en je aanstaren. Van top tot teen, kijken wat je aan had. Dat schreven ze op.”

Foto David van Dam

Het is een warme zomeravond en het drietal staart naar het winkelcentrum aan de overkant. Ze kijken wat loom, onwetend wat zich verderop in de buurt afspeelt. Daar, bij het Cruyff Court, is de sfeer wat verhit. Yous komt aangereden op zijn scooter. Hij stopt ’m op de stoep naast Driss, Mohammed en Hacham en begint opgelaten te vertellen: „Ik wilde naar huis, en toen zag ik iedereen rennen…”

Driss, hangend tegen een muurtje, knikt. „…Het begon bij het buurthuis. Wel víjftig man. En zeker twintig die toekeken. Ik zei tegen ze: je kunt beter naar huis en toen werd er geluisterd.”

„Maar toen zijn ze verderop verder gegaan”, zegt Yous. „Dat was de tweede ronde. Acht man.”

„Die zijn van Schilderswijk.”

„Ik zag chaos”, zegt Yous. „Ik zag een jongen helemaal alleen. Hij had ruzie. Hij had eerder een gast geslagen en dit was wraak.”

„Met acht man.”

„Oog om oog, tand om tand.”

„Ik zag de jongen huilend wegrennen en heb ‘m achterop genomen. Geen helm op, maar goed, het gaat om de veiligheid.”

„Die jongens waren vijftien, zestien jaar.”

„Ik heb een eindje met hem gereden”, vervolgt Yous, „en toen kwamen die jongens achter hem aan en gingen ‘m slaan en kreeg ‘ie wéér klappen. Mensen uit een woning kwamen erbij. Ik schreeuwde ‘Klaar! Ophouden!’ en toen begonnen ze weg te rennen. Alle kanten op.”

Driss staat op en zegt: „Gaan we lopen jongens?”

Nog maar pas geleden ging het met Yous (22), Driss (20), Mohammed (18) en Hacham (24) zelf bijna mis. Ze komen allemaal uit deze buurt en zijn ongeveer even oud als de Drevenboys. Een generatie daarbóven, van sommigen de oudere broer, daar keken ze tegenop. Van die generatie hadden veel hun school niet afgemaakt en een aantal is in de criminaliteit beland. „Bajes in, bajes uit.” Zij vonden het als jonge jochies eigenlijk wel stoer. „De meesten werden weggetrapt”, zegt Yous, „ik mocht er wel bij staan”.

Handeltjes, diefstal, het is verslavend, dat weten ze. Het is een gokspel. De ene keer heb je een paar honderd euro, de andere keer heb je niets. Jongere jongens laten zich meeslepen door oudere. En al zeggen die oudere wel: maak je school af, houd je niet met zulke zaakjes bezig, als je dan een leeftijdgenoot ziet met een mooie scooter die jij niet kunt betalen, „dat vreet wel”.

Zij wisten op het rechte pad te blijven. Ze werden ingelijfd door welzijnsorganisatie Stichting To The Point en lid van het buurtpreventieteam, als vrijwilliger. „Goed voor je cv.” Vier dagen per week lopen ze ’s avonds, als de meeste jongeren op straat zijn, in een T-shirt van de stichting door de buurt. Met vier man tegelijk, heeft meer impact, „en kun je ook één op één praten”. Ze spreken jongeren aan op hun gedrag, verwijzen ze door naar schuldhulpverlening of Servicepunt Arbeid. Doelgroep: twaalf tot zeventien jaar. „Daarna heeft het geen zin meer.”

1 mei 2013: „Was achter Zuidwestcollege aantal normale jongeren aan het controleren, toen kwam groep van de dreven langslopen. Ernaartoe, roepen, hoorde mijn naam, controle, rennen. Drie staande gehouden en getrakteerd op bon voor het zich bevinden in een plantsoen.”

6 mei: „Zag vijf mensen voor de buurtsuper staan. Toen ze mij zagen vlogen ze de buurtsuper in. Scooter op de rollerband. Bonnetje voor vier kilometer te hard.”

9 mei: „Zag groep in auto. Staartje gegeven.”

12 mei: “Zag drie bekkies voor de bakker lopen.”

14 mei: „Zag de doelgroep voetballen op Cruyff Court. Vijf mensen. Staande gehouden. En signalement. Eén ID opgeschreven.”

In de wijk zijn altijd wel een paar jeugdgroepen. En de Drevenboys, die wáren ook vervelend, zeggen buurtbewoners. De groep was groot en intimiderend. De jongens waren luidruchtig, stonden met tientallen bij elkaar voor de pizzeria aan de Dreef. En bewoners zagen ze in het donker struinen door de binnentuinen. Op dat moment was er een inbraakgolf in de omgeving, meerdere groepjes jongeren joegen op de bruidschatten van Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse gezinnen, goud waarvan ze wisten dat het thuis werd bewaard.

„Ik heb ze zien opgroeien van beugeltje tot jongeman”, zegt Arno Weijermars, voormalig wijkagent in de buurt. Hier zijn groepen verdeeld tot op straatniveau, zegt hij, en buiten vinden ze elkaar. „Daar is niks mis mee, áls er toezicht is.” Maar daar ontbrak het bij de Drevenboys aan. Hij sprak ouders die zeiden: ‘Help me, ik heb geen invloed meer op mijn zoon’.

Foto David van Dam

De ene groep laat zich beter aanspreken dan de andere, weet Arno. Sommige hebben niets te verbergen, „die willen alleen maar chillen”. Maar in deze groep zag hij „afwijkend gedrag”. Jongens die boven elkaar uit willen stijgen, pestgedrag, niet voor elkaar onder doen, luidruchtig zijn. En als iemand er wat van zei, dan een grote mond terug.

Scooterdiefstal

Het begon met kleine criminaliteit. Scooterdiefstal. Op hulpverleningsgebied werd intussen al „heel veel geprobeerd”, zegt Arno. Gesprekken met de jongens, vaders erbij, zorgcoördinator erbij, mentor van school erbij. Maar de groep werd groter en op ’t laatst durfde niemand er nog wat aan te doen. „Je kunt als wijkagent wel op ze inpraten, maar als individu ben je kansloos.” Het was niet zijn beslissing maar hij begrijpt ’m wel: alleen de hotspotaanpak had nog zin.

„Hey, wat was er aan de hand net?” Bij het Cruyff Court stapt jongerenwerker Soufiane Bouali uit de auto. Hij is oprichter van Stichting To The Point en draagt een petje en een spijkershirt van Dolce en Gabbana. Hij is een kop groter dan de rest.

Yous, Driss, Mohammed en Hacham van het Buurtpreventieteam steken van wal. Ze vertellen over de vechtpartij en werpen intussen een afkeurende blik op een jochie van twaalf dat met Vespa-scooter tussen hen door de stoep af rijdt. Soufiane knikt alleen. En dan, wijzend naar een van de jongens, hij heeft zijn T-shirt van de stichting niet aan: „Waar is kleding, man?!”

De 31-jarige Soufiane is opgegroeid in de Dreven en Gaarden. In zíjn tijd was de buurt nog niet zo verdeeld. In zijn klas op de basisschool zaten naast Turkse en Marokkaanse kinderen zes, zeven autochtonen. En Surinamers, een Antilliaan. Op straat telde alleen het voetbal. „Wit, zwart, alles liep door elkaar. Gaarden tegen Dreef.”

We hadden het gevoel: wát we ook doen, we doen het toch niet goed

Jongere uit de wijk Dreven en Gaarden

Soufiane was getalenteerd, hij mocht naar de jeugdopleiding van Sparta. Hij had het geluk dat hij uit een betrokken gezin komt. Een trotse vader die hem altijd naar het voetbal bracht, een moeder die hem nog altijd dagelijks belt. Twee broers en een zusje. Hij merkte als jongen nooit dat hij een stempel had. Dat kwam pas later, toen hij op het veld regelmatig werd uitgescholden als hij iemand dolde en hij ook uit de mond van de trainer eens hoorde ‘Jij kankermarokkaan’. Trek je er niets van aan, zegt hij nu tegen jongens in de buurt die hetzelfde overkomt. Een kláp doet pijn, woorden niet.

In Dreven en Gaarden is het de jeugd die het straatbeeld bepaalt. Moeders met de allerkleinsten in de speeltuintjes. De jongens van de basisschool trekken na schooltijd naar het Cruyff Court, waar ze tot het vallen van de avond worden beziggehouden door de welzijnswerkers van Stichting Mooi. En de oudere jeugd? Die vond je tot 2011 in het buurthuis, achter de Playstation. Maar het buurthuis moest sluiten, zoals in heel Den Haag een derde van alle ruim zestig wijkcentra sloot. Bezuinigingen.

Toen zijn voetbalcarrière strandde joeg Soufiane zijn andere droom na: jeugdwerker, in zijn eigen buurt. De gemeente vroeg hem zich bezig te houden met de groep van 72 jongeren die dreigden te ontsporen en op wie ze geen grip meer had. Soufiane wilde ze toekomstperspectief bieden. Want kom je uit Dreven en Gaarden, dan moet je dubbel zo hard je best doen, zo ziet hij het. Armoede is het échte probleem. En soms zit het thuis niet goed. Moeilijk contact met ouders.

„Weet je wat het is”, zegt hij, „jongens uit de wijk hebben weinig zelfvertrouwen. Dat is de kern.” Soufiane ziet het aan hun gedrag: een verloren houding, naar voren hangende schouders, weinig tekst. Vraag de zestienjarigen wat ze willen worden, en vaak hebben ze geen antwoord. „Ze hebben geen voorbeelden. Ze beginnen een mbo-opleiding, maar hebben geen idéé waarom. Ze kennen niemand met een normale baan.” Soufiane neemt ze soms mee naar zijn eigen vriendengroep. Hij kent rappers, voetballers, het beoogd toekomstperspectief voor velen in de buurt. Maar ook mensen met ‘gewoon’ werk. Hij wil laten zien dat het bestaat.

En witte Nederlanders? Die zien de jongeren vrijwel niet. Alleen de senioren, in de zomer, die zich beklagen over scooters scheurend over straat. Soufiane probeert dan te bemiddelen. „Ik zie dat witte wijkbewoners hier tegen jongeren zijn. Ze hebben vaak één slechte ervaring met ze gehad en daar blijven ze aan vasthouden. Ze zullen nooit toenadering zoeken.”

Tijd voor het buurtpreventieteam om te gaan lopen. Ook Soufiane stapt in zijn auto. Hij maakt zijn eigen rondje.

15 mei 2013: „Melding van inbraak. Drie verdachten volgens melder, waaronder één half Surinaams. Zag in de buurt drie personen, één zou goed Surinaams kunnen zijn. Aandachtvestiging op hun naam. ID gevraagd. Stonden direct te schreeuwen dat ze van huis kwamen en dat ik ze weer lastig kwam vallen en hen niet moest vragen om hun ID-bewijzen omdat ik hen toch wel kende. Aanhouden ter zake poging inbraak. Na horen getuigen bleek signalement ernstig af te wijken. Na overleg verdachten heengezonden. Naar moeder gebracht en uitleg gegeven.”

5 juni: „Positie ingenomen bij de Kentucky Fried Chicken, half uur tevergeefs posten.”

7 juni: „Een op scooter door de wijk, later groep bij Cruyff court. Gaat over rap en of ik die kende: ‘Ikke shine goud op m’n linkertand, je kunt me vinden met een… ‘koevoet’… in mn hand. Ze beginnen over mijn adres. Hoorde van een collega dat ze weten waar ik woon.”

Dicht op hun huid zitten, dat is de hotspotaanpak. Maar halverwege het jaar verslechtert de situatie. Reacties op de ID-controles worden persoonlijker, feller. En ook de wijkagent, voorheen als vertrouweling gezien, moet het ontgelden. Bij een doorzoeking op 8 juli van een kelderbox waar de jongens raps opnemen, wordt een raptekst gevonden met daarin een bedreiging aan de wijkagent.

De grimmigheid neemt toe, het aantal bekeuringen ook.

17 juli: „Zag drie mannen. Eén duwde een winkelwagentje van de AH voor zich uit. Verklaarde wagentje gevonden te hebben, en spullen voor zijn oma aan het wegbrengen. Mini-pv aangezegd. Vond nodig dichtbij verbalisant te gaan staan en bleef verbaal agressief. Door middel van duw op afstand gebracht.”

21 juli: „Geen ID bij zich, mini-pv uitgereikt.”

24 juli: „In auto één niet in bezit geldig rijbewijs. Bonnetje wordt geregeld.”

28 juli: „Bonnetje voor rijden zonder rijbewijs.”

Op 4 oktober volgt een wraakactie. Eén van de jongens heeft vijf bekeuringen in twee dagen gehad, onder meer voor defecten aan zijn scooter. Onterecht, in zijn ogen. Niet veel later vinden twee agenten op de parkeerplaats achter het politiebureau hun privéauto’s terug met vernielde ruiten en op de motorkappen in de lak gekrast: ‘G&D’.

Wildwestfilm

Het werd een soort „wildwestfilm”, zal een van de jongens later vertellen tegen NRC. Een „kat-en-muisspel”, een „spiraal” die naar beneden ging. „Actie-reactie”. En natuurlijk waren ze „geen lieverdjes”. Maar ook als ze leuke dingen deden, zegt hij, zoals naar het poolcentrum in Naaldwijk, werden ze aangehouden. „We hadden het gevoel: wát we ook doen, we doen het toch niet goed.”

Foto David van Dam

In de auto stapt Soufiane plotseling op de rem: „Die ken ik niet.” Hij kijkt achterom, naar een groep jongens sjokkend over straat. Direct stapt hij uit, loopt op de jongens af en geeft ze een hand. Zes jongens, twee op een scooter. „Hoe gaat het op school”, vraagt hij. En tegen een jongen die zijn hand niet uitsteekt: „Doe je stoer tegen mij?” Soufiane praat snel, alert. „Ik hoorde over een vechtpartij…”

„Geen idee man”, zegt één. En dan barst het los, iedereen door elkaar: „Zíj spugen met z’n allen op één jongen.” „Ik wou het oplossen, één tegen één.” „Mijn neef uit Wateringen kreeg klappen van Dreef.”

„Sowieso, jullie komen uit een andere wijk”, zegt Soufiane, die vermoedt dat het de ruziemakers uit de Schilderswijk zijn. „Dan wordt het alleen maar erger, weet je.” Tegen een jongen: „Heb je ruzie met Jabran?” Geen reactie. Verontwaardigd: „Je liegt niet tegen mij hè…”

De jongens van Dreef begonnen, klinkt het. „Zíj gaan met z’n allen op één jongen van twaalf.”

Soufiane, na het aanhoren: „Maar jongens, hoe gaan we dit oplossen dan? Het is niet nodig.” En, hoofdschuddend: „Ik heb andere dingen aan mijn hoofd”.

„Ik ook”, zegt een van de jongens. „Geen baan, ik sta in de min, zit in de schulden.”

„Wil je werken”, vraagt Soufiane.

„Ja.”

Een voor een kijkt hij de jongens aan. „Wil je werken? Wil je werken, broer? Werken?”

Ze knikken allemaal.

„Luister, welke wijk woon je? Schilderswijk? Je kent Ejah toch? Hij is jongerenwerker, hij is mijn bro.”

„Maar geen Albert Heijn hè”, klinkt het.

Een ander: „Ze hadden ons een buurthuis beloofd. Maar we mogen niet eens naar binnen. Drie jongens stonden te roken voor de deur. Wordt een Playstation gestolen, zeggen ze: is jullie schuld. Maar is niet zo.”

„Is vertrouwen, hè”, zegt Soufiane.

De jongens: „Wie ga je vertrouwen in Den Haag man?!”

Na een tijdje is Soufiane er klaar mee. „Ga lekker naar huis”, zegt hij. „Genoeg chickies bij jullie in de buurt.” De jongens schudden hun hoofd. „Bij ons zijn ze allemaal van die Rotterdammers en Amsterdammers.”

In de ochtend van 14 januari 2014 werden de Drevenboys door tweehonderd agenten van hun bed gelicht. De NOS toonde beelden van de arrestaties en sprak over „mishandeling”, „bedreiging”. Omroep West over „intimidatie en openlijke geweldpleging” en in dagblad Trouw verscheen een artikel over ‘groepslid’ Chalid die nog vrij rondliep. „Eerst nu schuilen”, zei hij, om daarna weer „langzaam contact met elkaar te zoeken”. De groep zou „gewelddadig” zijn en in de families „deed iedereen mee”. Er waren nu jongens „naar Marokko om bij familie te logeren”. Chalid zei dat hij en zijn vrienden opnieuw de „baas van de straat” zullen worden. Maar eerst hergroeperen. „We zijn nog lang niet dood.”

Het artikel leidde tot vragen in de Tweede Kamer, toenmalig minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) benadrukte het belang van stevig ingrijpen. De Nationale Politie roemde de gekozen politieaanpak. „Ik ga u gewoon zeggen dat de politie de baas op straat is”, zei de toenmalig korpschef in tv-programma Knevel en Van den Brink. Het woord ‘Marokko’ viel veelvuldig. Laat ze lekker dáár blijven, zeiden tafelgenoten.

Later werd het artikel in Trouw, geschreven door Perdiep Ramesar, ingetrokken wegens twijfels over de betrouwbaarheid. En ‘Chalid’, een gefingeerde naam, was niet-traceerbaar.

Wat was er wáár, van alle geweld, de intimidatie, de families, de inbraken?

Afluisterapparatuur

„Wollah. Hebben we genoeg eten? Wie wil drinken?” Het is 29 november 2013, half acht. Zomaar een avond in de auto van de Drevenboys, opgenomen in het dossier. Ze rijden met een paar jongens door de stad, nog onwetend dat de politie in de auto afluisterapparatuur heeft geplaatst. Eentje heeft schade gereden en ’m naar de garage gebracht. De garagehouder had bij het ophalen nog gezegd: „Veel plezier ermee”.

„Hé boys, wat gaan we doen?”

„Kunnen naar Rotterdam bios pakken.”

„In Amsterdam kun je smoken in bios.”

„Welke wil je pakken. Hunger Games?”

De dag ervóór, 28 november, was voor sommige van de Drevenboys een hectische. Toen had zich een vijftal tegen half acht in de buurt verzameld. Ze hadden goed om zich heen gekeken en elkaar gewaarschuwd: was dat een agent in burger? En die twee agenten op de fiets, waar gaan ze heen?

De jongens hadden inmiddels wel in de gaten dat al die ID-controles ook een ánder doel dienden. De agenten op de fiets waren er om hen te observeren, om bewijs te verzamelen. Ze zijn aan het „sparen”, had één van de jongens eerder over een getapte telefoon gezegd.

Het vijftal had zich die avond verstopt voor de agenten en toen de kust veilig was, sloegen ze hun slag. Een paar waren op afstand gebleven in de auto. „Zijn ze al binnen?” klonk toen over het afluisterapparaat. Eentje werd gebeld: „Kom nu nu!” De auto was gestart, portieren sloegen open en meerdere personen waren ingestapt. „Wollah mattie, wij hebben buit gepakt.”

Maar vandaag, de 29ste, na alle hectiek, blijft het rustig. Het is twaalf uur en de bioscoop is niet doorgegaan. Eén van de jongens is naar huis, twee zijn naar het casino in Scheveningen en de andere twee wachten achter de McDonald’s in de auto.

Al wachtend spreken de jongens vrijuit. Ze zoeken op hun mobiel naar auto’s’ die ze willen hebben: „Zie je die binnenkant? Cruisecontrol, alles hè”. Ze spreken over aanhoudingen: „Maar als je hiermee rijdt, gaan ze zeggen: wollah, hoe kom jij aan die geld”. Ze hebben het over het strand van Tanger, over zwemmen in de zee, en over hun toekomst: „Als je opa bent, wil je hier in Nederland blijven?”

Om half twee stappen de andere twee weer in.

Zes weken lang wordt de auto afgeluisterd. Vaak hoort de politie niet veel meer dan rapteksten uit de speakers, gesprekken over favoriete BMW’s en of ze nog naar de McDonald’s zullen gaan. Maar rijdend langs bekende adressen komt het gesprek ook geregeld op inbraken.

Over een woning in Wateringen: „Wollah, ik was daar binnen geweest man.” „Wollah gingen naar beneden en toen alarm ging af.” „Wist je nog toen eh..”

Over een galerijflat in Rijswijk: „Was tien hoog hè, zo’n flat, precies zo’n flat”. „Wollah ik gooi heel die huis overhoop.”

Woning in ’s Gravenzande: „33 doezoe gepakt uit een kloezoe.” „Wollah wij rampeneren heel die kankerdeur.” „Wij trappen hem met z’n drieën, koevoet, alles.” „Was allie al gegaan?” „Allie hij bleef afgaan ja.”

Woning in Honselersdijk: „Nee nee, als je doorrijdt kom je bij een huis waar we kerstboom om hadden gegooid. Bij die, die, kijk hier, hier.”

Woning in Den Haag: „Hier zit geld broeder. Hier zit geld hoor mattie. Wollah. Ik ga je laten zien in welke osso.”

Geld, daar draait het om. Op foto’s die de politie later in beslag zal nemen vindt ze jongens in badjas wapperend met biljetten. Geld ligt op bedden, tussen de boterham, gedrapeerd zoals het teken van G&D. Er zijn foto’s van de jongens op bezoek in Disneyland Parijs, poserend naast de Eiffeltoren, naast een poster van Scarface, naast whisky, sigaretten en dikke plakken hasj.

Eind 2013 hebben ze in de gaten dat de auto wordt afgeluisterd. 17 december: het autoportier slaat open, een jongen stapt in. Hij zegt: „Goedenavond meneer de recherche.”

Geparkeerde auto’s

Zomer 2018. De drie jongens op de leuning van het bankje knikken. „Ja, 2013 was het heftigst. Toen stonden ze ons in geparkeerde auto’s te observeren. Maar we konden ze wel herkennen hoor.”

„Als het buurthuis niet was opgeheven”, zegt een ander, „dan was het misschien anders gelopen.”

„We hebben vaak genoeg aan de gemeente gevraagd om het niet te sluiten. Wij gingen daar poolen, achter de computer zitten.”

„En wij jongerenwerkers konden júllie observeren, zien met wie jullie omgingen”, zegt Soufiane, die erbij is komen staan.

Hij heeft als jongerenwerker zijn best gedaan, maar zijn rol was lastig. Hij wílde helemaal niet weten wat de jongens uitspookten, hij wilde dat ze hem vertrouwden. En dat lukte ook. Maar toen de politie eenmaal doorhad dat hij als vertrouweling weleens wat hoorde, wilde ze dat hij de relevante informatie zou delen. Soufiane weigerde, zijn rol werd stilaan kleiner.

Foto David van Dam

Een buurthuis is niet de oplossing voor alles, dat weten de jongens ook wel. Maar de sluiting van de wijkcentra in Den Haag in 2011 ging onder luid protest. „Wat zijn de gevolgen?” riep de oppositie in de gemeenteraad. „Van verveling of isolement is nog nooit iets goeds voortgekomen.” Wie nu beknibbelt op preventie, was de gedachte, is later het dubbele kwijt aan repressie.

„Een paar van deze jongens was door een buurthuis misschien gered”, zegt Soufiane. Een aantal van de Drevenboys was nog jong. Die zaten in de „cruciale” leeftijd dat ze al wel stoere verhalen hadden maar nog niets deden. „De verhalen komen altijd eerst, vóór de actie”, zegt hij. „Dus dán moet je ingrijpen.”

Groepsdruk speelt een belangrijke rol. Trots. Op straat is de gedachtegang: Ik beheers jou, en ik laat niet over me heen lopen. En als je je niet verweert, verbaal of fysiek, dan loopt iedereen over je heen. „Dan ben je klaar op straat”, zegt Soufiane. Dan gaan jongens „domme dingen doen” om zich te bewijzen. Ze proberen elkaar te overtreffen, en de jonkies in de groep moeten kiezen: nemen ze afstand of gaan ze mee? „Eén op één zijn het topgasten, maar in een groep gaat het mis.”

Mei 2016, ruim twee jaar na de arrestaties, veroordeelt de rechtbank Den Haag de hoofdverdachte tot acht jaar cel wegens 26 inbraken. Vier anderen krijgen tot zes jaar cel voor vijftien inbraken. Voor de anderen, destijds nog minderjarig, valt de straf lager uit. De jongen met het paspoort uit zijn borstzak wordt voor tien feiten veroordeeld en krijgt achttien maanden jeuddetentie opgelegd. De Drevenboys worden aangemerkt als criminele organisatie. De jongens namen volgens de rechter „grote hoeveelheden sieraden, horloges en contant geld” weg, bij één van de slachtoffers „voor enkele tonnen”. Ze werkten volgens de rechtbank op basis van tips over kostbaarheden in woningen en waren dagelijks bezig met hun plannen. De rechtbank neemt mee dat de privéauto’s van agenten zijn vernield.

Voor andere geweldsdelicten ziet de rechter geen bewijs. Geen mishandeling, geen bedreiging, geen samenwerking met families of de buurt. De informatie van het HIT-team heeft vrijwel geen bewijs opgeleverd. Wel de telefoontaps en de gesprekken in de afgeluisterde auto.

Advocaten van de jongens gaan in beroep. Mocht het wel, die hotspotaanpak? Neem de jongen met het paspoort uit zijn borstzak. Tot het moment van aanhouding in 2014 was hij voor geen enkel delict veroordeeld, zegt zijn advocaat Wieteke Drummen. Een blanco strafblad, maar wél tientallen staandehoudingen. Momenten waarop zijn gegevens zonder duidelijke reden werden genoteerd. „Neutrale situaties”, zegt ze, waarin de jongens rondhingen in de buurt, bij de supermarkt of op het Cruyff Court. In hun eigen leefomgeving. „Hoe zit het met hun vrijheid, hun privacy?”

Hoe zit het met hun vrijheid, hun privacy?

Wieteke Drummen, advocaat

Zo’n hotspotaanpak kan leiden tot etnisch profileren, meent Drummen. Ze wijst op het opschrijfboekje van de agent, 23 januari 2013: Agent ziet iemand lopen die ‘zou kunnen voldoen aan een doelgroep-jongen’. De jongen heeft een plastic tasje bij zich, de agent vraagt wat er in zit. Een spijkerbroek, zo blijkt. De agent vraagt waar de broek vandaan komt, de jongen wil daar geen antwoord op geven, waarna de agent hem nog even volgt en daarna noteert ‘dat hij hem niets kan maken’. Drummen: „Grote groepen mensen worden door deze methode tot potentieel verdachte gemaakt. Is dat het Nederland waarin wij nu moeten leven?”

Ook andere advocaten van de jongens zijn kritisch op de gebruikte methode. Was dit middel niet veel te zwaar voor de aanpak van een jeugdgroep? Wat leverde het op, behalve felle reacties van de jongens zelf? De advocaten kregen een intern evaluatierapport van de politie onder de ogen over de hotspotaanpak in Dreven en Gaarden. Het aantal inbraken was gedaald, constateerden de rapporteurs, maar niet zonder prijs. Agenten die repressief optraden werden door sommige van de jongens „teruggepakt”. In de evaluatie stond dat de controles „gericht moeten worden ingezet”. Er moet voorkomen worden „dat controles doorslaan in ‘jongeren pesten’ op straat”.

Lees ook: Je kunt nooit bewijzen dat het aan je kleur ligt, maar zo voelt het zeker

Wijkagent Arno knikt. „Zo’n aanpak staat haaks op hoe wij normaal werken.” Maar in dit geval, zegt hij, was het stadium van aanspreken voorbij en was is er nog maar één manier: repressie. „Er waren veel inbraken en de buurt mag verwachten dat de politie de veiligheid garandeert.”

Of de aanpak heeft gewerkt? „Ja en nee”, zegt hij. „Zo’n HIT-team kon laten zien: we zitten erbovenop. Dat was écht nodig. Maar je moet ervoor waken dat de goedwillende jongeren er last van hebben. Als die worden platgecontroleerd, dat is niet prettig. Dat leidt tot irritaties.”

Over het terugpesten door de jongeren haalt hij zijn schouders op: „Dat hoort erbij. Ik heb zóveel raps gehoord waarin mijn naam voorkwam.” Maar de vernieling van de privéauto’s, „dat gaat míjlen te ver”.

Profileringsdrang

Na hun arrestaties werden de jongens het slachtoffer van profileringsdrang door de politie, meent advocaat Gerard van der Meer, die twee verdachten bijstond. De politie zette in de media „ten onrechte” het beeld neer van een gewelddadige jeugdgroep. Ze wilde „kennelijk de eer opstrijken”. Hij noemt het „onvervalst Bokito-gedrag”.

Wat de advocaten ook steekt is de rol van het HIT-team in de opsporing. De officier van justitie begon het opsporingsonderzoek in maart 2013, terwijl de jongens eerder al op de huid werden gezeten door de agenten van het team. Om een opsporingsonderzoek te mogen beginnen is een redelijke verdenking vereist, pas daarna mag je stelselmatig observeren. Maar was het HIT-team hier niet al eerder mee bezig?

Toen het rechercheteam was opgestart werd alle informatie van het HIT-team regelrecht aan hen gedeeld. Dat zien advocaten steeds vaker: worden ze gebeld door cliënten die zeggen ‘Nou word ik alwéér zomaar om m’n ID gevraagd!?’ Waarom?’ De hotspotaanpak - of een variant - ervan is inmiddels gemeengoed. Maar mag dit wel? Is dan niet sprake van „ongeoorloofde” vermenging van handhaving en opsporing? Die vraag stond centraal in het hoger beroep.

In de zaal van het gerechtshof Den Haag zitten negen Drevenboys op een rij, ingesloten door toga’s. Het is mei dit jaar en de rechters houden hen de bewijsstukken voor. „Wie had het plan?” „Zat u met drie, vier of vijf in de auto?” „Dus u had het horloge zélf gekocht bij de Bijenkorf?”

De jongens blijven op de vlakte. „Beroep me op mijn zwijgrecht.”

„Ik stond alleen op de uitkijk.”

„Wat ik daar zei, dat was gewoon stoer doen.”

Drie weken later volgt de uitspraak. Het hof noemt de bezwaren van de advocaten ongegrond. Ja, er vonden best eens controles plaats zonder wettelijke grondslag, maar volgens de rechter was dat niet structureel en zijn de bevoegdheden voor agenten bij ID-controles wettelijk ruim geregeld. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer was volgens het hof „beperkt gebleven” en ook hadden de controles van het HIT-team niet alléén een opsporingsdoel. Het diende óók ertoe „als politie zichtbaar te zijn in de wijk” en overlastgevend gedrag tegen te gaan door „met hen in gesprek te gaan, hen niet alleen te kennen maar ook door hen gekend worden”.

Over het bewijs is het hof wél kritisch. De jongen met het paspoort uit zijn borstzak krijgt zes maanden jeugddetentie opgelegd. Van de tien ten laste gelegde inbraken wordt hij in hoger beroep uiteindelijk voor één veroordeeld. Vrijwel alle Drevenboys krijgen flinke strafvermindering. Het hof neemt in zijn overweging mee dat de samenstelling van de groep bij inbraken sterk wisselend was en lang niet altijd is er bewijs voor de bijdrage van individuele leden. En ook dat de inbraken alweer lang geleden zijn gepleegd en de meesten hun leven hebben gebeterd. Sommigen zijn getrouwd, hebben kind, een baan.

Den Haag telt momenteel volgens de politie acht jeugdgroepen met een ‘hoog’ risico. Op hen wordt een vergelijkbare methode als de hotspotaanpak toegepast. Ook in andere steden wordt de methode veel gebruikt.

In Dreven en Gaarden is de hotspotaanpak niet meer nodig geweest. De politie zet nu meer in op samenwerking met scholen en jeugdwerk. „Die samenwerking is een groot verschil met jaren geleden”, zegt wijkagent Arno. „Toen waren de jongeren één gesloten bolwerk. Nu zie je dat jongeren elkaar corrigeren. Ze weten: als ik het verpest bij jongerenwerk, dan weet én de school het, én de agent.” Arno werkt inmiddels in een andere buurt. Volgens de twee nieuwe wijkagenten is het contact met de jongere generatie goed en komt een vechtpartij zoals die in de zomer van 2018 nu weinig voor.

Lees ook: Witte agent voelt zich niet de baas

Het buurtpreventieteam is gestopt. Jongerenwerker Soufiane kreeg geen subsidie meer. Helaas, zegt hij, want het huidige welzijnswerk kan de oudere jeugd weinig bieden. ’s Avonds, juist als de jongens op straat zijn, is het weinig actief. En in juni dit jaar presenteerde de Haagse wethouder een plan dat opnieuw voorziet in een bezuiniging op het welzijnswerk, 8 miljoen euro. Terwijl, de noodzaak van het jongerenwerk is er wel, ziet Soufiane. In Dreven en Gaarden dient een nieuwe, overlastgevende groep zich aan, nu in de leeftijd van tien tot veertien jaar.

Het buurthuis is na de sluiting teruggekomen in een keet. Maar ook dat stopte en nu is het gevestigd in een school. Een tijdelijke locatie, want de jongeren vinden het niet ideaal. Een nieuwe plek is nog niet gevonden.

En de jongen met het paspoort uit zijn borstzak? Hij is nu 22 jaar en gemotiveerd iets van zijn leven te maken. Hij woont niet meer in de wijk.

Terug naar het bankje, zomer 2018. „Hé man.” De jongens op de leuning begroeten iemand op een glimmende scooter. „Zelf verdiend”, zegt-ie. De scooterjongen werkt bij het gemeentevervoersbedrijf én in de beveiliging én doet mbo niveau 4. „Mooi man!” zegt Soufiane.

Een van de jongens op het bankje heeft nu ook een baantje. „Ik dacht niks te bereiken.” De andere twee hangen nog regelmatig op straat, „niks te doen”. Geregeld gaan ze waterpijp roken in de shishalounge in het winkelcentrum. Hun favoriete smaken zijn Lemon ice en Love 66.

Contact met witte Nederlanders hebben ze nog altijd niet. „Een buurvrouw op de fiets, ze zwaait weleens.” Meer kunnen ze er niet noemen. Ja, Máxima, die kwam eens langs en gaf een hand. „Ze was lékker man.”