Foto Tessa Posthuma de Boer

‘Op tv vind ik jou op het arrogante af’

Zomeravondgesprek Misdaadjournalist John van den Heuvel schreef in De Telegraaf een vlijmscherpe column over strafpleiter Gerald Roethof (‘heeft lak aan de gevoelens van nabestaanden’). Twee kenners van de onderwereld die graag praten en heel anders denken.

„Even mijn sokken uitdoen”, zegt Gerald Roethof. „Ik meen het hoor! Ik dacht: ik doe sokken aan, dat staat netter. Maar nu ik zie dat John ook geen sokken aan heeft…”

Gerald Roethof en John van den Heuvel staan op het bruggetje over de slotgracht van Chateau Marquette in Heemskerk. De fotograaf vraagt of ze een beetje met hun ruggen naar elkaar toe kunnen gaan staan. „Als twee James Bonden.”

Beiden dragen een pak. Van den Heuvel beige, Roethof donkergrijs. De sokken zijn in een Louis Vuitton-etui verdwenen.

„Hoe lang ben jij?”

„1,91. Jij? 1,85?”

„Geen lullig verschil hoor”, zegt de fotograaf.

Ze reageerden allebei een beetje verbaasd op de uitnodiging. Ze kennen elkaar, ze hebben weleens contact, maar dat is – in de woorden van Van den Heuvel – „niet altijd even vriendelijk”. Roethof moest er even over nadenken, liet hij weten. „Laat ik het zo zeggen: over sommige dingen zijn John en ik het niet eens.”

Toch zagen ze het wel zitten om elkaar te ontmoeten, de misdaadverslaggever en de strafrechtadvocaat. In een heus kasteel, vroeger een buitenplaats voor rijke Amsterdammers, nu een hotel-restaurant.

Al lang voor de fotosessie op de brug is een donkerblauwe Volvo met twee mannen de parkeerplaats op komen rijden. Ze stelden zich voor als Jelle en Maurice. In hun spijkerbroek en gympen zien ze eruit als gewone hotelgasten, maar het zijn de persoonsbeveiligers van John van den Heuvel. Ze zitten „in de voorverkenning”, een paar dagen geleden zijn ze al langs geweest om de omgeving te inspecteren. Het zou mooi zijn, zeggen ze, als John pas na het diner zou inchecken. „Dan wordt hij niet meteen aan het hotel gelinkt.”

John van den Heuvel is onderweg nog gestopt om een item voor RTL Boulevard op te nemen, het programma waarvoor hij crimedeskundige is. Het ging over Ridouan Taghi, de meest gezochte crimineel van Nederland. Dat Van den Heuvel nu al anderhalf jaar wordt bewaakt door de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging is mede het gevolg van ernstige bedreigingen afkomstig van Taghi. In 2002 werd Van den Heuvel ook een tijd beveiligd, toen na een interview met topcrimineel John Mieremet in De Telegraaf. Die krant is nog steeds zijn belangrijkste werkgever.

Gerald Roethof is vanaf de rechtbank rechtstreeks naar het hotel gekomen. Hij werkte vandaag aan de zaken van drie cliënten: een ‘Marktplaatsoplichter’, een verdachte van straatroof en een taxichauffeur die gepakt werd met een behoorlijke lading harddrugs in zijn auto. De bekendste zaak die hij doet is de verdediging van Jos B., de man die ervan wordt verdacht ruim twintig jaar geleden de elfjarige Nicky Verstappen om het leven te hebben gebracht. Die zaak gaat deze zomer verder.

Het mooie weer heeft het land even verlaten op de dag van het interview. Maar gelukkig, vertelt Roethof tussen het fotograferen door, gaat hij nog naar Curaçao, zijn favoriete vakantiebestemming, en als het meezit ook naar Suriname, waar hij van zijn achtste tot zijn achttiende heeft gewoond. „Ja John, over Suriname wil ik het straks nog hebben.” Van den Heuvel schreef voor De Telegraaf veel over het land. Eind jaren negentig publiceerde hij een boek over drugshandel door president Bouterse.

In een zijkamertje van het kasteel is een ronde tafel gereserveerd. De deur blijft open zodat de twee beveiligers in het aangrenzende restaurant John van den Heuvel geen moment uit het oog verliezen. Als hij naar de wc gaat, loopt er eentje mee.

Gerald Roethof en John van den Heuvel hebben in hun beroep allebei te maken met de onderwereld. „Maar de verschillen tussen ons werk en tussen onze opvattingen zijn vele malen groter”, benadrukt Van den Heuvel al vroeg in het gesprek. Tegen Roethof: „Voor jou staat het belang van je cliënt voorop, voor een journalist gaat het altijd om het vinden van de waarheid. En als dat schadelijk is voor een partij, jammer dan. Het gaat gewoon de krant in.”

Maar eerst wil Van der Heuvel het nog even ergens anders over hebben. „Zoals jullie misschien weten heb ik recent best wel een pittige column over Gerald geschreven in De Telegraaf…”

Die ging over de zaak-Nicky Verstappen. DNA-onderzoek leidde er vorig jaar augustus toe dat in Spanje Jos B. werd aangehouden. Toen Roethof, als B.’s advocaat, aanschoof in talkshows om over de zaak te praten, verweet Van den Heuvel hem in zijn column in dat hij te veel de publiciteit opzocht en „de grootst mogelijke onzin” uitkraamde. Hij schreef: „Deze strafpleiter heeft lak aan de gevoelens van nabestaanden, zet zijn eigen ego boven dat van zijn cliënt en schaadt met zijn botte optredens zijn hele beroepsgroep.”

Roethof zegt dat hij de column „met een halve blik” heeft gelezen.

„Ik dacht wel even: John, alsjeblieft, moet het op zo’n manier? Maar omdat het me niet vrolijk maakte, heb ik er snel afstand van genomen. Zo gaat dat bij mij: dingen die ik fijn vind, die onthoud ik. Dingen die ik minder fijn vind, negeer ik.”

Foto Tessa Posthuma de Boer

Achteraf vindt Van den Heuvel het „best hard” opgeschreven. „Ik denk dat het te maken had met jouw optreden bij Pauw destijds. In principe vond ik het goed dat je daar zat, om tegengas te geven in die enorme mediastorm waarin je cliënt al veroordeeld was. Maar – en dat is het opmerkelijke vind ik, want in persoon ben je heel innemend – als ik jou dan op tv zie vind ik je gereserveerd en koel, eigenlijk op het arrogante af. Die uitstraling vind ik niet passen bij zo’n uiterst gevoelige zaak. Dan denk ik: als je een iets andere toon aanslaat, zou dat draaglijker zijn voor de nabestaanden.”

„Ik ben hier niet om mezelf te verdedigen, maar als ik bij zo’n programma ga zitten, denk ik daar vanzelfsprekend over na”, zegt Roethof. „In een zaak waarbij een kindje om het leven is gekomen, kun je nooit lachen. Ernst kan weleens met arrogantie worden verward.”

„Wat in de zaak-Jos B. achteraf jammer is…” Roethof valt even stil en verbetert zichzelf. „Nee, laat ik het zo zeggen: wat ik in elke moordzaak van belang vind, is even contact te hebben met nabestaanden.” Door een file was hij te laat op de eerste zitting en kon hij de familie van Nicky Verstappen niet spreken. „Met zo’n gesprek kun je een deel van de pijn die tijdens de rechtszaak ontstaat wegnemen.”

„Waarom gebruik je het woord ‘jammer’ niet?” wil Van den Heuvel weten.

„Als ik het woord ‘jammer’ gebruik, zeg ik dat ik het niet goed heb gedaan. En dat zeg ik niet zo snel over mezelf.”

„Ik ben wel benieuwd wat daar nu aan ten grondslag ligt. Wat is erop tegen om te zeggen dat je iets anders had willen doen? Ik vind dat geen teken van zwakte, maar juist van zelfreflectie.”

Klopt, zegt Roethof. „Maar dan zou ik dat eerst tegen de persoon moeten zeggen die het betreft, en dan pas in het openbaar. Maar zullen we het misschien ook over iets anders hebben?”

„Waar ik moeite mee heb,” zegt Van den Heuvel, „is wat jouw collega Gerard Spong de lenigheid van het geweten noemt. In mijn optiek kán een geweten niet lenig zijn, advocaten hebben dat wel. Dat begrijp ik niet.”

Roethof vouwt zijn handen in elkaar, en denkt na. „Ik zal inderdaad alleen kijken naar wat in het voordeel is van mijn cliënt. Zo hoort dat, anders zou ik dit werk niet moeten doen.”

„Oké, maar stel nou dat Jos B. tegen jou zegt: Gerald, ik heb dat jongetje…”

„Laten we een ander voorbeeld nemen.”

„Stel nou dat een cliënt tegen jou zegt: ‘Gerald, ik heb dat jongetje vermoord, maar ik wil er ab-so-luut niet voor de gevangenis in. En jíj gaat daarvoor zorgen.’”

„Ten eerste zijn er weinig cliënten die op die manier, zo direct, met een advocaat communiceren. Ten tweede zeg ik altijd tegen mijn cliënt: ik hoef niet te weten wat er is gebeurd. Ik stel een paar eenvoudige vragen. Bijvoorbeeld: zou het belastend kunnen zijn als ik camerabeelden opvraag? Die vragen hoeven mijn cliënten niet te beantwoorden, maar áls ze antwoord geven dan moet het ook de waarheid zijn. Of ik dan last heb van mijn geweten? Nooit.”

De ober komt binnen en informeert of alles naar wens is.

„Wat een goed moment”, zegt Roethof. Zijn pleidooi is afgelopen.

Maar Van den Heuvel is nog niet klaar. „Stel, je krijgt hem vrij en twee jaar later vermoordt hij weer een kind. Dan heb jij geen last van je geweten? Lig je dan niet ongemakkelijk in bed?”

Gerald Roethof schudt zijn hoofd. Hij vertelt over een cliënt die was vrijgesproken, en later voor een nieuw geweldsdelict veroordeeld werd. „Je moet dat loslaten”, zegt hij. „Althans, ik laat het los.”

„Ik zou dat niet kunnen.”

„Ieder zijn vak. Mijn taak is om één kant van de zaak te belichten aan de rechter. Jij gaat als journalist op zoek naar de waarheid. En als je die vindt, schrijf je erover.”

Naast zijn werk voor De Telegraaf, maakt John van den Heuvel tv-programma’s over misdaad, programma’s die soms verder gaan dan journalistiek. We willen het hebben over Ontvoerd, waarin hij kinderen die door een ouder ontvoerd zijn vanuit het buitenland terughaalt naar Nederland om ze te herenigen met hun achtergebleven vader of moeder. Het programma was vanaf het begin controversieel. Het journalistieke platform Follow the Money schreef dat het programma ‘kinderbelangen opoffert aan kijkcijfers’, onder meer door adviezen van jeugdhulpinstanties te negeren. Een kritische uitzending van Medialogica over Ontvoerd leidde dit jaar tot Kamervragen.

Van den Heuvel baalt van die kritiek. In bijna alle zaken die het programma behandelt, zegt hij, volgt het de wet. „Negen van de tien keer ligt er een vonnis waarin de rechter bepaald heeft dat het kind terug moet naar de ouder in Nederland. Het probleem is dat niemand die bevelen uitvoert. Dus dat zijn wij gaan doen.”

Een enkele keer valt een zaak in juridisch grijs gebied, zoals in Paramaribo in 2014. „Kort gezegd: een jongen ging met zijn moeder op vakantie naar Suriname, de moeder werd ziek en overleed. De grootouders hadden een slechte band met de vader en hielden dat jongetje daar. Ze probeerden bij de rechter aan te voeren dat vader niet in staat was het kind op te voeden. Maar uit ons uitvoerige vooronderzoek bleek dat vader prima in staat was om voor zijn kind te zorgen. De grootouders gingen procederen in Suriname, maar de rechtsgang is daar uitermate traag. We besloten toen niet te wachten.”

Foto Tessa Posthuma de Boer

Roethof zegt dat hij het verhaal kent. „Als ik het goed heb, vond dat jongetje het hartstikke fijn bij opa en oma. Moet je dan niet kijken naar wat het kind wil? Moet je je daar als programmamaker wel in willen mengen?”

„Die vraag is zeker gesteld”, zegt Van den Heuvel. „Dit zijn van die salomonsoordelen die je moet vellen. Maar het jongetje was heel blij om zijn vader weer te zien.”

Roethof grijpt het moment aan om verder te praten over het land waar hij tien jaar van zijn jeugd doorbracht. „Ik moet zeggen dat ik jou vrij negatief vind over Suriname, John. Laatst zei je dat het land onder Bouterse een narcostaat is geworden. Inderdaad, er komen grote hoeveelheden cocaïne vanuit Suriname naar hier. Maar dat geldt net zo goed voor andere landen. We zeggen toch ook niet dat Nederland onder Rutte een narcostaat is geworden?”

Van den Heuvel, een beetje geërgerd: „Als je mijn publicaties over Suriname de afgelopen jaren hebt gevolgd, dan weet je dat ik ook een grote liefde heb voor dat land. Sterker nog: het is mijn favoriete plek in de wereld. Over Colombia heb ik ook een column geschreven en ik schrijf minstens zo vaak keiharde verhalen over de rol van Nederland in de mondiale drugsscene.”

Klopt het, vragen we, dat Van den Heuvel sinds die aflevering van Ontvoerd in 2014 Suriname niet meer in mag?

„Ja, maar ik heb er nooit de vinger achter gekregen waarom precies. Ik heb Surinaamse advocaten benaderd, nooit iets gehoord. Heel vreemd.”

Roethof, grappend: „Dan moet je een andere advocaat bellen, John.”

Het voorgerecht komt, de ober schenkt Van den Heuvel „een mooi glaasje chardonnay” in. Roethof houdt het bij water zonder prik.

„Jij drinkt geen alcohol?” vraagt Van den Heuvel.

„Nee, helemaal niet.”

„Nooit?”

„In mijn tienertijd wel. Toen ben ik dronken geworden en heb ik me niet echt gedragen zoals ik wilde. Sindsdien heb ik geen alcohol meer gedronken.”

Roethof was zestien, vertelt hij, en was in Suriname op een feestje. „Op een gegeven moment zat de vriendin van mijn beste vriend bij me op schoot. Kan natuurlijk niet. Ik ging met de brom naar huis. De weg leek krom maar was recht, ik belandde in de sloot, die overigens droog stond. Dit moet ik niet willen, dacht ik. Sindsdien heb ik niet meer gedronken.”

Van den Heuvel: „Denk jij dat als je wat drankjes drinkt, je…”

„Wat losser wordt? Ja, sowieso.”

Hij had een heel strenge vader, zegt Roethof. Ook advocaat. Zijn ouders deden „erg hun best” hem wat discipline bij te brengen, als tiener kon hij „nogal driftig” zijn.

„Hoe dan? Met lijfstraffen bijvoorbeeld?”

„Het woord lijfstraffen wil ik niet gebruiken.”

„Af en toe een flinke tik?”

„Noem het ouderlijk tuchtrecht. Beleefdheid, netheid, dat was heel belangrijk. En leren incasseren en slikken. Niet primair reageren. Maar ik ben er blij mee. Zonder die discipline was ik nu niet hier geweest.”

Vijftien jaar geleden kreeg hij een ernstig ongeluk, vertelt hij.

Van den Heuvel: „Een verkeersongeluk of zo?”

Roethof wil er verder niet veel over kwijt. „Het klinkt heel spannend, dat is het eigenlijk niet. Maar in ieder geval was ik bijna dood, de artsen hadden me afgeschreven. Als je er against all odds toch bent, dan doet dat iets met je. Je kunt beter relativeren. Weinig kan mij nog deren.”

John van den Heuvel knikt. Voor hem, zegt hij, is minder duidelijk hoe zijn verleden hem heeft gevormd.

„Ik ken mijn biologische vader niet, ik weet niet hoe zijn karakter was of hoe hij in het leven stond. Dus je mist gewoon de helft van je…”

Roethof: „Van je zijn?”

Van den Heuvel: „Ja, en van je ziel eigenlijk.”

De biologische vader van Van den Heuvel vertrok met de noorderzon tijdens de zwangerschap van zijn moeder. Hij ging terug naar Marokko, zijn geboorteland. Van den Heuvels moeder trouwde, hij groeide op in Eindhoven. Wie zijn biologische vader was, hoorde hij pas op zijn vijftiende, toen zijn ouders gingen scheiden. Zijn moeder gaf hem een naam en geboortedatum, daar heeft hij tot nu toe niets mee gedaan.

Foto Tessa Posthuma de Boer

Toen hij achttien was, ging hij naar de politieacademie in Amsterdam. Hij werd agent omdat hij zocht naar actie en afwisseling, vertelt hij. „En ik sta graag met mijn neus vooraan.” Als undercover moest hij twee jaar lang infiltreren in drugsnetwerken. Rondrijden in dure auto’s, soms met een pak geld op zak om een partij drugs te kopen. „Gekkenwerk was het. Ik ben een paar keer door het oog van de naald gegaan.”

Omdat hij gaandeweg iets „meer maatschappelijks” wilde doen, werd hij in de jaren negentig journalist. Hij schreef boeken over onder meer de Hells Angels en Willem Holleeder. In zijn werk heeft hij nog altijd „verschrikkelijk veel plezier”, zegt hij, al is dit een wat mindere periode. „Iedere dag kijken er vijftig man mee in mijn agenda. Maar ik vertik het om dat leuke werk af te laten pakken door een paar criminelen die mij bedreigen. Mijn vrouw zegt weleens: ga dan toch over iets anders schrijven. Maar dat gaat niet gebeuren. Letterlijk: over mijn lijk.”

Roethof: „Ik hoop dat je snel je normale leven weer terugkrijgt. Dat hoop ik echt. Kun je nog wel ieder verhaal maken dat je wil?”

„Ik merk soms dat de krant me in bescherming probeert te nemen, bijvoorbeeld door bepaalde stukken minder prominent af te drukken dan ik zou willen. Ik heb dan juist de neiging er nog een schepje bovenop te doen. Dat doet het blijkbaar met me. Af en toe voel ik wel een bepaalde boosheid. In mijn werk is ermee te leven, maar privé trekt het een zware wissel.”

Ook Roethof wil maatschappelijk iets teweegbrengen, zegt hij. Daarom spreekt hij in de media regelmatig over etnisch profileren door de politie, iets waar hij het ook vanavond graag over wil hebben. „Ik weet dat jij dat ook anders ziet dan ik.”

Van den Heuvel: „Ik heb daar inderdaad ook een column over geschreven. Jij vond dat je etnisch geprofileerd was, toch?”

„Ja, honderd procent. Ik was erbij, dus ik weet hoe het ging.”

Het incident vond plaats in 2008. Roethof gaf agenten tijdens een politiecontrole geen toestemming zijn auto te doorzoeken en werd daarop met pepperspray in zijn gezicht gespoten.

Van den Heuvel: „Ik weet dat Gerald ook een autoliefhebber is. Jij reed een hele mooie Mercedes. Een wat ouder model. S-klasse?”

„Klopt John, dat weet je goed.”

„Met mooie goudkleurige velgen.”

„Niet goud. Zwart.”

„De ramen geblindeerd.”

„Een beetje. De achterramen.”

„Dan zeg ik, vanuit mijn ervaring als agent: dan zullen ze je sneller controleren.”

„Ook iemand in een net pak? Zonder petje op?”

„Dat maakt niet uit, ik zou die Mercedes van jou er eerder uitpikken dan een middenklasser. Zeker als het avond is en je niet in de auto kunt kijken.”

John van den Heuvel zou in zo’n situatie waarschijnlijk minder snel worden gecontroleerd. Vindt hij dat hij wel iets kan zeggen over dit onderwerp?

Roethof antwoordt voor hem: „Op zich kan hij er wel iets over zeggen. John heeft een tintje. Al is hij ook een bekende Nederlander.”

Van den Heuvel: „Natuurlijk, de politie treedt op straat niet altijd even tactisch op. Maar het beeld dat er met regelmaat zwaar wordt gediscrimineerd door agenten, daar ben ik het niet mee eens.”

In 2015 stond Gerald Roethof de nabestaanden bij van Mitch Henriquez, de man die om het leven kwam nadat agenten tijdens zijn arrestatie een nekklem hadden toegepast. De kwestie leidde tot dagenlange rellen in de Haagse Schilderswijk, met honderden aanhoudingen. Was Henriquez harder aangepakt omdat hij gekleurd is, was een vraag die bij de nabestaanden en in de samenleving sterk leefde.

Een van de redenen om die zaak aan te nemen, zegt Roethof, was het ter discussie stellen van politiegeweld. „Moet je agenten toestaan om zo’n gevaarlijk wapen te gebruiken?”

Foto Tessa Posthuma de Boer

Van den Heuvel vindt dat het werk van de advocaat in deze zaak alleen maar tot meer onrust heeft geleid. „Die agenten werden in de rechtszaal gewoon als moordenaars afgeschilderd. Er werd de indruk gewekt dat de hele Nederlandse politie bestaat uit mensen die verdachten zwaar lichamelijk letsel toebrengen of vermoorden. De geest was volstrekt uit de fles. Dat het zo escaleerde, dat die agenten op hun huisadres werden bedreigd, vond ik voor een groot deel te wijten aan de wijze waarop de advocaten van beide partijen met elkaar communiceerden.”

Roethof: „Ik denk dat de onrust kwam door een verkeerd persbericht van de politie. Ze schreven dat Henriquez later, ná de arrestatie, onwel was geworden en was overleden. Dat klopte gewoon niet.”

Van den Heuvel vindt het bewonderenswaardig dat Roethof kwesties wil aankaarten, zegt hij. „Maar je doet dat nu voornamelijk door criminelen te verdedigen. Waarom word je geen politicus?”

„Nou, ik heb aanbiedingen gekregen, John.” Roethof zegt niet van wie – en serieuze politieke ambities heeft hij voorlopig niet.

Van den Heuvel: „Als je echt het welzijn van de maatschappij voor ogen hebt, zou je het kunnen doen. Maar jij wil gewoon dat een cliënt van jou zo kort mogelijk in de gevangenis zit.”

„Ik zou het er als journalist moeilijk mee hebben om geheimen te onthullen”, zegt Roethof. „Ik vind dat niet alles aan de grote klok gehangen moet worden. Dat is hoe ik in het leven sta. Je kunt mensen ernstig beschadigen. Horen, zien, zwijgen – dat is het als advocaat.”

Aan het eind van de avond wandelt Van den Heuvel over de oprijlaan van het kasteel naar het iets verderop gelegen hotel. Hij wordt geflankeerd door twee beveiligers. De donkerblauwe Volvo volgt stapvoets, verderop staat een andere wagen, de lichten zijn gedimd. Op de parkeerplaats start Gerald Roethof de motor van zijn BMW om naar het hotel te rijden. Een van de beveiligers kijkt om. „Is het een leuk gesprek geweest, John? Of moeten we hem even in de gaten houden?”

Roethof heeft na het gesprek nog getraind in een sportzaaltje van het hotel, vertelt hij de volgende ochtend bij het ontbijt. „Twintig minuutjes, om in shape te blijven.”

Van den Heuvel komt terug van het buffet met koffie en een minicroissantje. „We zijn het lang niet altijd eens, en zullen dat ook nooit worden”, zegt hij, „maar ik heb een goed gevoel overgehouden aan het gesprek.”

Willen ze verder nog iets tegen elkaar zeggen? „Het enige wat ik nu wil”, zegt Roethof na een blik op zijn horloge, „is zo snel mogelijk weg”.

„Houd je aan de maximumsnelheid, hè”, zegt John van den Heuvel bij het afscheid.

Gerald Roethof: „Ach, soms moet ik een beetje compenseren.”