Recensie

Recensie

Is hij dood of overleeft hij de valpartij?

Jón Kalman Stefánsson De uitdrukking dat je in de seconde van je dood ‘je hele leven aan je voorbij ziet trekken’ vormt de kern van deze IJslandse roman, die sterk doet denken aan de stream of consciousness-romans van Virginia Woolf.

Foto Dmitry Feoktistov/TASS/Getty Images

Een dertigjarige man balanceert op een wankele ladder, strekt zijn arm uit om met de schilderskwast een raamkozijn te verven, verliest zijn evenwicht – en daar valt hij, nee, hij ‘knalt luttele seconden later op het harde trottoir te pletter’. De man heet Sigvaldi. Is hij dood of overleeft hij de valpartij? De IJslandse schrijver Jón Kalman Stefánsson (1963) gebruikt meteen in het begin van zijn roman Het verhaal van Ásta ‘te pletter vallen’ en de lezer denkt dan: die man is morsdood. Maar dan is er de volgende zin: ‘Het trottoir is hard en koud, maar daar is de hemel, net zo zorgeloos en vol zomer als vlak daarvoor.’ En deze: ‘Sigvaldi doet zijn ogen open. De hemel is nog steeds blauw, hij is vol van de dood. Hij doet zijn ogen weer dicht.’

Nu zijn we nog maar op bladzijde 17 aanbeland en Stefánsson laat de man vanaf het ogenblik van de valpartij ruim vierhonderd bladzijden zweven tussen leven en dood, tussen de stenen stoep en de blauwe hemel.

Moeiteloos, elegant en met een oneindig weefsel aan verhaallijnen neemt Stefánsson de lezer mee in Sigvaldi’s ijldromen. Hiermee vormt Het verhaal van Ásta de extreme vorm van de bekende uitdrukking dat je in de seconde van je dood ‘je hele leven aan je voorbij ziet trekken’. Dat overkomt Sigvaldi, en de auteur varieert telkens op dit thema.

Gemeten naar de handeling gebeurt er bar weinig in deze roman. Sigvaldi’s gedachten gaan terug naar zijn kindertijd, naar de dood van zijn vader en de troost die hij zijn jonge broertje biedt, naar zijn eerste liefdes, de vissen in het water van de Noorse fjorden en de vogels in de lucht daarboven.

Onheil

Opvallend is dat de structuur van een heel leven in die ene seconde op elk niveau is voortgezet. Bijvoorbeeld in de scène waarin Sigvaldi en zijn eerste vrouw Helga de liefde bedrijven: het hoogtepunt ‘duurt duizend jaar’. De Ásta uit de titel is de dochter die aan deze liefde is ontsproten. Haar naam betekent in het IJslands ‘liefde’. Maar met de keuze voor die naam roepen de ouders Helga en Sigvaldi het onheil af. Er gebeuren verschrikkelijke dingen: een pleegmoeder die van haar stiefdochter een helpend handje krijgt richting dood, de prostitutie door Ásta in stille gehuchten en Sigvaldi die een van zijn kinderen in het trappenhuis naar beneden gooit.

Al die herinneringen en dwaalwegen maken het boek niet altijd even gemakkelijk te bevatten. Het doet sterk denken aan de stream of consciousness-romans van Virginia Woolf, The Waves (1931) bijvoorbeeld. Personages komen op en verdwijnen weer, ze vertellen ons hun ingewikkelde levensverhalen en liefdes die nooit het geluk brengen wat ze ervan verwachten.

Moeder Helga beleeft nauwelijks geluk aan dochter Ásta, sterker, achteraf gezien vond ze de tijd dat zij nog in haar buik zat de mooiste tijd van haar leven. Toen was alles licht en blauw, waren er geen wolken te bekennen.

Een meisje voor de zomer

Stefánsson experimenteert meer met de vorm dan in zijn eerdere werk, zoals Hemel en hel en de trilogie Het hart van de mens. Zo laat hij hoofdstuktitels doorlopen in de tekst en varieert hij voortdurend in schrijfstijl: nu eens rauw en naturalistisch, zoals in de prostitutiescènes van Ásta, dan weer poëtisch en boordevol natuurbeschrijvingen. Bovendien munt hij uit in aforismen, zoals: ‘Huilen is vrouwelijk. Troosten is mannelijk.’

De tragiek van Ásta neemt geleidelijk toe. Ooit was haar naam synoniem voor liefde en voor ‘een meisje voor de zomer’. Maar ze haatte die naam. En met die haat voor haar eigen naam en haar eigen lotsbestemming nadert haar dood.

Ásta begeeft zich in een koude nacht naar een vuurtoren (hier hebben we weer Virginia Woolf, To the Lighthouse). Vragen als: ‘Hoe leven zij die nooit over hun liefde kunnen praten? En hoe troosten wij de doden?’ achtervolgen haar, ze vindt er geen antwoord op. Dan volgt een van de mooiste regels die ik in tijden las: Ásta gaat ‘het licht in dat de duisternis doorklieft.’ Dat is de lichtbundel van de vuurtoren, maar wat gebeurt er daarboven in die vuurtoren?

Opnieuw houdt Stefánsson op indrukwekkende wijze de lezer vast ergens tussen leven en dood.