Opinie

Verdoof je hart en lach

Humor Mag je in een deuk liggen om een ‘Heil Schnitzel-bunker’? Christiaan Weijts verkent de explosieve grenzen van humor.

Illustratie

Roland Blokhuizen

Laat ik beginnen met een lollig plannetje. Ik ga op een festival rondlopen met een dienblad, en een groot bord: ‘Hosties ham-kaas’, ’Hollandse kaaskoppen’ – vers gekruisigd.’ Flauw, maar na drie biertjes of wat lachgas best geestig. Dan schrijf ik er onder: ‘Jodenkoekjes (van eigen deeg!)’ Dat is al tricky, maar kom, we zijn een vrij land. Een enkeling zal me erop aanspreken.

Dan doe ik het volgende: ik geef het bord met die drie teksten aan een moslima, met hoofddoek, en laat haar met een stralende lach door de menigte stappen. Hosties ham-kaas, Hollandse kaaskoppen – vers gekruisigd, Jodenkoekjes (van eigen deeg!). Kijk dan eens een uurtje later op Twitter. Of bij de EHBO-post. Vervolgens zal ik me verdedigen, met de woorden van Wim Sonneveld: „Een áárdigheidje! De gulle lach! Waar is de gulle lach op heden gebleven? Dat vraag ik u af. De mensen hebben geen humor meer. Cha-ga-rijnen zijn het!”

Dat was in 1973, lang voor alle cartoonrellen, en sindsdien lijkt het lachen ons nog meer te zijn vergaan. Jongste akkefietjes: Zwarte Cross verwijdert borden met ‘Allah’s afbakbar’ en ‘Leve de kleurlingen’. Sylvia Witteman excuseert zich na kritiek op een vergelijking tussen een labrador en „iemand met het syndroom van Down”.

Zijn we sneller gekwetst, worden we een humorloos land? Ik heb het gevoel dat dit een wat povere diagnose is, en er iets fundamentelers aan de hand is waardoor humor nu zo complex en explosief is.

Deze week sloeg ik Le Rire van de Franse filosoof Henri Bergson er eens op na, uit 1900. Dat bleek een verhelderende greep. Anders dan andere denkers over humor (Plato, Schopenhauer, Kant, Freud) gaat het bij hem niet om het mechaniek van de grap en de uitwerking op het individu, maar om de onderliggende groepsprocessen. De lach is voor Bergson altijd „een sociaal gebaar”.

Lees ook: Humor is een dekmantel voor racisme

We liggen niet gauw in een deuk om een landschap of een berg keien, of er moeten menselijke gezichtjes in staan. Vogels lachen niet, robots lachen niet. De lach is sociaal, van mensen, om mensen. Mét mensen ook. Vrijwel niemand lacht in z’n uppie. Zelfs wie ‘haha’ intikt op zijn telefoonscherm doet dat doorgaans met een onbewogen gezicht. De lach heeft een echo nodig, stelt Bergson. „De kring waarbinnen ze doorrolt mag nog zo groot zijn, hij blijft wel gesloten. Ons lachen is altijd het lachen van een groep.”

Humor is het bindmiddel voor groepen, en daar vallen per definitie anderen buiten. Niet eens per se doordat ze doelwit van de grap zijn, maar vaak omdat ze context en codes niet delen, en zo buiten de „bijna geheime verstandhouding” van de lach blijven.

Het lukt al een aantal jaren niet meer om een oudejaarsconference te maken waar het hele land om schatert

Lachen kneedt een gezamenlijk wereldbeeld en synchroniseert allerlei morele opvattingen, smaken en afkeuren. Ga naast het dichtstbijzijnde terrastafeltje met drie of meer mensen zitten, en luister waar ze om lachen. Binnen drie minuten is er iemand buiten de groep doelwit van krenking, of het nu de toeristen zijn, een familielid, collega’s, concurrenten, de burgemeester of de laatste tinderdate. Dat is niet fraai maar wel de menselijke natuur. Roddel, andermans reputatie omlaag halen, we doen het al sinds er taal is.

Er is, vervolgt Bergson, altijd een „ongevoeligheid” bij de lach nodig, een „tijdelijke verdoving van het hart”. Humor staat niet aan de kant van empathie en mededogen. „Onveranderlijk gevoelige zielen”, bij wie „iedere gebeurtenis de snaar van het gevoel zou raken”, zouden het lachen ‘kennen noch begrijpen.’ Af en toe moet je ongevoelig kunnen zijn, om al het leed te relativeren. Maar hoe ongevoelig mag je zijn?

Elke groep zijn eigen grap

Ik heb nog wat experimentele festivalbordjes overwogen. De Johan Cruijff-rookruimte. Een Heil Schnitzel-bunker. De Sobibor-lachgaskamer. Is het grappig? Allerminst. Mag het? Van mij wel, maar daar gaat het niet om. Neem Belgenmoppen. Die vond ik destijds ook hilarisch. Maar nu ik dagelijks Vlamingen tegenkom, al was het maar in mijn tijdlijn, zijn ze dat domweg niet meer. (Grappen over Duitse toeristen daarentegen…).

De vraag is niet wat je allemaal wel of niet meer mag zeggen, maar hoe groot de echo van je lach nog is.

Dat de echokamers slinken, is zeker. Het lukt al een aantal jaren niet meer om een oudejaarsconference te maken waar het hele land om schatert. Een pluriforme samenleving heeft pluriforme humor: elke groep zijn eigen grap.

Het gedeelde wereldbeeld is weg en daarmee ook de gedeelde lach. Voor onze vroegere religie zijn nu allemaal kleine godjes in de plaats gekomen en hun aanbidders hebben nog maar één ding gemeen, namelijk een pik die zo omvangrijk is dat een ander er al gauw op blijkt te trappen. Het valt te begrijpen. Nog maar amper hebben we onze zekerheidjes ingeruild voor allerlei attributen die nu onze identiteit moeten vormen en houvast geven in veranderlijke tijden – of het nu vegetarisme is, lidmaatschap van Forum, klimaatmarcheren, geaardheid of een geboortestreek – en nu worden ze al bespot!

Lees ook: De smiley is de betonrot in onze ironie

Onlachen

Die verse en fragiele kroonjuwelen beschermen we daar liever tegen. Met gekwetstheid. Met verontwaardiging. ‘Unlaughter’ is de term die de Britse socioloog Michael Billig bedacht voor afkeurende reactie op een grap. Zoiets zeg je niet. Dáár maak je geen grappen over. Institutioneel racisme! Dat zie je nu met name online gebeuren: het afbakenen van de eigen groep gebeurt niet alleen door om de andere groep te lachen, maar ook door om hun grappen te ‘onlachen’, veelal door de context weg te halen.

Bij de Zwarte Cross waren álle opschriften satirisch bedoeld. De labrador-opmerking viel in een vederlicht kletsinterview over huisdieren. Aanvankelijk had Witteman er ‘mongool’ uitgeflapt. Een echoloze uitglijder. Het enige grappige aan de zaak is dat de eindredactie het dacht te moeten kuisen met dat gewichtige ‘syndroom van Down’, zodat het ineens heel weloverwogen overkwam. Een onhandige misser, voer voor onlachers.

Illustratie Roland Blokhuizen

Nog een loepzuivere ‘onlach’. In Tims tent gaat Tim den Besten in gesprek met Sylvana Simons. Wanneer het gaat over koken zegt Tim dat hij dat liever niet doet, er zijn namelijk mensen die daar veel beter in zijn. „Bijvoorbeeld Thaise mensen.” Simons, glimlachend: „Zit jij nu gewoon, waar ík bij ben, gewoon hele racistische dingen te zeggen?” In de context overduidelijk ironie, zelfspot, maar die grap krijgt een digitale onlach als afstraffing: kijk nou toch, is dit ook al racistisch?

Het maakt uit wie de grap maakt, waar en voor welk publiek. Dat is ingewikkeld geworden nu contexten wegvallen en grenzen vervagen. Iedereen leeft in meerdere sociale kringen tegelijk. Op het strand met vrienden maak ik grappen over Duitsers, die in het Goethe-instituut niet in me zouden opkomen. Projecteert iemand daar een strandfilmpje met mijn grappen op groot scherm, dan smijten ze me de Herengracht in. (Want zo zijn ze, die Duitsers.)

Het hart tijdelijk kunnen verdoven is een noodzakelijke remedie tegen de sluimerende starheid van ons vermeende houvast

Dat is wat nu gebeurt: al die sociale kringen schuiven in elkaar, en zo zitten we elkaar op de lip. De echokamers versplinteren, de kringetjes lachers zijn kleiner, maar wel steeds zichtbaarder en luidruchtiger. De samenleving krijgt de structuur van elkaar verdringende cellen. Aan weerszijden van de wanden hijgen we in elkaars nek met lach en met onlach.

Ik heb niet de illusie dat dit minder gaat worden of dat er een bevredigende remedie is. Het herkennen van deze mechanismen is al heel wat. Dat kan helpen wat minder op onze teentjes getrapt te zijn. Niet alleen de lacher, ook de uitgelachene moet Bergsons „tijdelijke verdoving van het hart” betrachten en het reflexmatig uitbarsten in onlachen leren bedwingen, inzien dat onze nieuwe identitaire talismannen niet zo heilig en absoluut zijn.

Juist spot, ironie en relativering kunnen die stugge cellen wat masseren. Ontspan.

Balans

De lach heeft volgens Bergson ook een socialiserende functie: je brengt er de groepswaarden en -normen mee bij. Net als de onlach trouwens, maar die doet dat bestraffend, disciplinerend en star. De lach is speels, indirect, soepel.

Wil je de gulle lach terug, eentje die de hele gemeenschap kan binden, dan moet je voorbij al die celmuren op zoek naar gedeelde grondwaarden, zoals vrijheid en gelijkwaardigheid. Dan moeten alle leden ervan doordrongen raken dat iederéén hier doelwit van de lach kan zijn, en dat het incasseren van een zekere krenking bij een gezond burgerschap hoort. Precies wat de Zwarte Cross met die bordjes liet zien.

Maar het moet dan wel in balans zijn, van alle kanten komen. Neem mijn fictieve voorbeeld met de moslima. Pas als je ook toestaat dat zij in die carnavaleske context het christen- en joden- en kaaskoppendom beschimpt, kun je Allahs afbakbar bij die leutige Achterhoekers verdedigen.

Het hart tijdelijk kunnen verdoven is een noodzakelijke remedie tegen de sluimerende starheid van ons vermeende houvast. Slagen we daar niet in, dan gaat de versplintering verder, en worden de kringetjes van de gedeelde lach steeds benauwder. Dan eindigen we allemaal als stand up comedian in zalen ter grootte van een luciferdoosje. Dan tikken we uiteindelijk allemaal ‘haha’ onder onze eigen berichtjes. Met onbewogen gezicht, want wie het laatst lacht, lacht alleen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.