Recensie

Recensie Boeken

Na de aanranding is ze woedend

Siri Hustvedt Na de aanranding, op een lenteavond in 1979, is ‘S.H.’ woedend. Dat geeft ze zelf niet toe, maar die emotie borrelt onder elke zin en neemt aan kracht toe.

Illustratie Paul van der Steen

‘Och, wat zul jij later een goede verpleegster worden’, zegt S.H.’s vader. Zijn dochtertje heeft hem net gedemonstreerd dat ze alle botjes van het menselijke skelet uit haar hoofd heeft geleerd. ‘Een stomp in mijn buik’, noemt de inmiddels volwassen S.H. zijn reactie. Ze wilde namelijk geen verpleegster worden, maar dokter.

Naar aanleiding van die teleurstelling (‘ik ben een meisje, en dat is bitter’) besluit S.H. – de vertelster in Herinneringen aan de toekomst, het nieuwe boek van de Amerikaanse Siri Hustvedt (1955) – alle zeilen bij te zetten om in het vervolg serieus genomen te worden, al is ze dan een meisje. Haar strategie: lezen. Hoe ingewikkelder, hoe beter. ‘Ik zal je ver voorbijlezen, vader’, noteert ze. ‘Ik zal lezen en lezen, alle boeken in je studeerkamer en alle boeken op school en alle boeken in alle bibliotheken overal ter wereld.’ Op het gebied van kennis zou ze ze allemaal overtroeven, de mannen.

New York

S.H. Die initialen zijn natuurlijk geen toeval. In Herinneringen aan de toekomst onderzoekt Siri Hustvedt de aard van herinneringen, waarbij ze dankbaar gebruik maakt van de wetten van het memoir-genre. Deze thematiek levert in handen van Hustvedt een serie interessante filosofische vragen op: kun je over een herinnering schrijven zonder die herinnering daarmee geweld aan te doen? Wat is het verschil tussen een herinnering en een fantasie? Is het überhaupt mogelijk om je een ervaring waarheidsgetrouw te herinneren? En wat wil dat dan eigenlijk zeggen, ‘waarheidsgetrouw’?

Als S.H. in 2016 de spullen van haar 94-jarige moeder in dozen verpakt omdat zij in een verpleeghuis gaat wonen (ze lijdt, nogal toepasselijk, aan Alzheimer), stuit de vertelster op een verloren gewaand notitieboekje dat ze zelf bijhield in 1978-’79. Het was het eerste jaar dat ze als begin twintiger in New York doorbracht. Het bevat zowel dagboekaantekeningen als fragmenten uit de roman waaraan ze destijds werkte. In Herinneringen aan de toekomst zet S.H. – naar eigen zeggen inmiddels een ’oude wijze dame’ – de in het notitieboek opgetekende herinneringen af tegen haar huidige herinneringen aan die tijd.

De leeshonger heeft Siri Hustvedt met haar personage gemeen. Die beperkt zich niet tot romans. Zo verdiepte de schrijfster zich bijvoorbeeld jarenlang in de neurowetenschappen. In een van haar essays over het onderwerp (Reflections on Memory, the Imagination, Narrative, and the Self, 2014) toont ze aan dat de mentale processen die komen kijken bij enerzijds herinneren en anderzijds fantaseren neurologisch gezien bijzonder weinig van elkaar verschillen.

Aanranding

Zowel herinneringen als verzinsels zijn geworteld in emoties. Beide processen worden meestal opgeslagen in de vorm van taal; een afgebakend ‘verhaal’, een anekdote. Uitzondering hierop, stelt Hustvedt, vormen traumatische ervaringen, die ‘in het lijf’ worden opgeslagen omdat er geen taal voor beschikbaar is. In Herinneringen aan de toekomst krijgt S.H. zo’n traumatische gebeurtenis voor de kiezen.

Op een nacht in mei 1979 wordt de vertelster thuisgebracht door een man met wie ze de avond heeft doorgebracht. Ze wil niet dat hij met haar mee naar binnen gaat, zegt hem dat ook, maar haar woorden lijken hem niet te bereiken. Hij dringt haar flat binnen en legt haar – eerst plagerig, dan opdringerig, tenslotte woedend – zijn wil op. Dankzij een buurvrouw neemt de man de benen voordat de aanranding uitmondt in verkrachting, maar het kwaad is dan allang geschied: ‘Je als een stuk vuil voelen, dat was het probleem. De blauwe plekken en de schram die ik opliep waren volkomen onbelangrijk. Wat ik niet van me af kon zetten waren de minachting en de neerbuigendheid van de man, zijn onwankelbare vertrouwen dat mijn woorden niets betekenden, dat ik niet eens een antwoord verdiende, dat ik Niemand was.’

Lees ook: 39 goede boeken om deze zomer te lezen

S.H. is woedend. Dat geeft ze zelf niet toe, maar die emotie borrelt onder elke zin en neemt aan kracht toe. Naarmate het personage razender wordt, wordt Hustvedts schrijfstijl incoherenter. Tijden, personen, verwijzingen en associaties: ze lopen steeds koortsachtiger in elkaar over, tot de zinnen iets weg hebben van de poëzie van barones Elsa von Freytag-Loringhoven, een door woede gedreven kunstenares die Hustvedt door het hele boek heen hartstochtelijk citeert. Herinneringen aan de toekomst werkt zo geleidelijk toe naar een narratief dat de ratio omzeilt, om uit te komen bij zintuiglijke taal; woest, gewelddadig, aards. Hustvedts woorden dienen hier niet langer om de ervaring te beschrijven; ze belichamen haar.

Neerbuigende houding

Voor wie verlangt naar een well-made novel met een kop en een staart is Herinneringen aan de toekomst niet weggelegd; het is een doorwrocht onderzoek naar de frictie tussen werkelijkheid en taal, waarbij Hustvedt haar lezers hard aan het werk zet. Het is een vol boek, heel vol. Als u zich voorneemt iedere verwijzing uit te pluizen, kunt u – afhankelijk van voorkennis natuurlijk – met gemak een paar jaar in dit boek doorbrengen. Filosofen, personages uit de wereldliteratuur, films, kunstenaars, natuurkundigen: de roman staat bol van de citaten en namen en intertekstuele verwijzingen.

Juist dat gaf Herinneringen aan de toekomst in mijn beleving een wat bittere bijsmaak. Niet omdat de verbanden die Hustvedt blootlegt niet relevant of interessant zouden zijn (dat zijn ze wel), maar omdat haar toon bij het aanhalen van al die in boeken opgedane kennis iets onaangenaam verbetens krijgt. Er spreekt bewijsdrift uit; haar belezenheid komt meer over als wapen dan als passie. ‘Ik heb heus wel iets te melden!’, is het onnodig defensieve timbre waarmee de schrijfster haar enorme kennis etaleert. Het geeft de verdrietige indruk dat Hustvedt anticipeert op de minachting en neerbuigendheid van haar lezer. Zo lijkt niet alleen haar personage, maar ook de schrijfster zelf, er – ondanks het feit dat ze intussen zo ongeveer iedereen voorbijgelezen heeft – nog altijd op bedacht te zijn dat men haar als verpleegster zal beschouwen. En niet als dokter.