De temperatuur meten is zo makkelijk nog niet

Weerstation De thermometers van het KNMI staan in witte kastjes op open grasvelden, buiten bereik van zon en regen. Maar soms gaat het meten mis, zoals deze week in Deelen. „Meteorologisch onmogelijk.”

Onderzoekers van Wageningen Universiteit en AMS Institute laten een weerballon op vanaf de Dam.
Onderzoekers van Wageningen Universiteit en AMS Institute laten een weerballon op vanaf de Dam. Robin van Lonkhuijsen

Hoe betrouwbaar zijn metingen van temperatuur? Veel meteorologen geloofden hun oren niet toen donderdag de melding kwam, uit weerstation Deelen op de Veluwe, dat de temperatuur plotsklaps was gestegen tot boven de 40 graden Celsius. „Meteorologisch onmogelijk”, meldde weerman en meteoroloog Peter Kuipers Munneke onmiddellijk. Vele anderen zeiden het hem na. Later die middag werd overigens de 40 graden Celsius alsnog aangetikt, in het weerstation in het Brabantse Gilze-Rijen. Het KNMI onderzoekt nog steeds de oorzaak, wellicht was een van de thermometers kapot.

De thermometers van het KNMI staan op 48 automatische weerstations; 34 op land en 14 op zee. „Daarop zijn verschillende meetinstrumenten geplaatst die continu de weersomstandigheden meten. Iedere paar seconden wordt een meting verricht en gecontroleerd of het instrument goed werkt. De meetwaarden worden vervolgens naar het KNMI gestuurd”, zo meldt het weerinstituut. De temperatuur wordt gemeten „volgens internationale afspraak” , in graden Celsius, op anderhalve meter hoogte, boven een open grasveld, in een wit kastje met wanden die de vorm hebben van een open jaloezie. „Daardoor heeft de wind vrij spel, maar zon en neerslag kunnen niet tot de instrumenten doordringen.”

Internationale afspraken

De stations mogen maximaal dertig kilometer uit elkaar liggen als de gegevens worden gebruikt voor weersverwachtingsmodellen, hebben landen afgesproken in de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), en bovendien moeten de stations verspreid zijn over verschillende omgevingen; aan zee en landinwaarts, in de stad en op het platteland.

Het is een flink karwei alle weerstations zodanig in te richten dat ze goed met elkaar te vergelijken zijn. De stations liggen op terreinen van verschillende eigenaren, maar worden ontworpen, ingericht en onderhouden door het KNMI. Zo wordt er gewerkt aan verplaatsing van het weerstation in het Limburgse Arcen, dat nu te beschut ligt. Ook hoor je wel eens dat de bodem in Arcen relatief zo droog is, dat de temperatuurmetingen erdoor steevast te hoog uitvallen. „Er zijn verschillende factoren die meespelen”, zegt een woordvoerder van het KNMI. „Als we nadenken over verplaatsen van een meetstation, dan kijken we naar het totaal van de omstandigheden ter plaatse.”

Hittegolven geschrapt

Scherper is de kritiek van een aantal sceptische klimaatonderzoekers. Zij stelden dit voorjaar dat het KNMI „ten onrechte” hittegolven uit de eerste helft van de vorige eeuw uit de boeken heeft „geschrapt”, en daarmee de indruk wekt dat het aantal hittegolven in de tweede helft van de vorige eeuw tot nu fors is toegenomen als gevolg van de klimaatverandering. „Het KNMI zou zich voorlopig moeten onthouden van claims over een vermeende toegenomen trend in hittegolven in Nederland”, schrijven de onderzoekers Rob de Vos, Frans Dijkstra, Jan Ruis en Marcel Crok in hun rapport ‘Het raadsel van de verdwenen hittegolven’.

Lees ook: Tropisch weer is nu gewoon

Inderdaad heeft het KNMI het aantal hittegolven in de eerste helft van de vorige eeuw naar beneden bijgesteld. Dat gebeurde drie jaar geleden, nadat uit onderzoek was gebleken dat door het in gebruik nemen van een nieuwe temperatuurhut op het weerstation in De Bilt in 1950, en ook als gevolg van de verplaatsing van de meting op het terrein een jaar later, er een „breuk” was ontstaan in de „homogeniteit” van de temperatuurreeksen. Zo werden in de oude hut vooral in de zomer steevast hogere temperaturen gemeten dan in de nieuwe hut, onder meer doordat de oude hut, aan de onderkant open, „gevoelig voor de reflectie van zonnestraling” was. Eerder dit jaar stelde een KNMI-onderzoeker in vakblad Meteorologica dat de „correcties” op de temperatuurreeksen uit de eerste helft van de vorige eeuw om die reden „realistisch” zijn.

De vier critici noemen de „homogenisatie” van drie jaar geleden „verdacht”. Zij vinden de „drastische” correcties tot 1,9 graden bij dagen boven de 28 graden „onverdedigbaar” en vinden dat het aantal hittegolven (vijf dagen achtereen warmer dan 25 graden waarvan drie boven de 30) niet van 23 naar 7 had moeten worden gereduceerd .

Het KNMI heeft niet rechtstreeks gereageerd op de kritiek. Wel verscheen dit voorjaar een persbericht over de bittere noodzaak van de homogenisatie drie jaar geleden, op vijf weerstations in Nederland. „In de praktijk hebben we te maken met veranderingen in de manier van meten of veranderde meetomstandigheden.” Het KNMI meldt hoe de correctie voor De Bilt tot stand is gekomen en schetst de voordelen ervan. „De reeksen geven na homogenisatie een consistent beeld van klimaatverandering in ruimte en tijd.”