Femke Bol: „Ik wil héél graag héél goed worden, maar nooit ten koste van anderen.”

Foto Bastiaan Heus

‘Het voelt als een overwinning als ik door de verzuring loop’

Femke Bol Atlete Femke Bol (19) wordt in haar debuutjaar Europees kampioen onder 20 jaar op de 400 meter. Nu wachten de NK en WK.

Aan tafel in de woonkamer van haar ouderlijk huis in Amersfoort, zegt Femke Bol, met de armen over elkaar en zonder een spoortje cynisme: „Ik vind omgaan met verzuring leuk.”

Een markante uitspraak voor een hardloper. Haar toon is bijna devoot, wat in ongelovige oren al snel vals klinkt. Maar niet uit de mond van Bol, de atlete die even daarvoor heeft uitgelegd hoezeer zij geniet van de 400 meter, wat onder sprinters als de gruwelijkste afstand wordt ervaren.

Op de laatste, slopende 100 meter klotst het melkzuur door de aderen. Waar concurrerende lichamen smeken om rust, houdt Bol haar pasfrequentie hoog, passeert ze zwalkende, snelle starters en wint ze meestal. Of het nu vlak is of over tien horden van 76 centimeter, die 400 meter voelt als haar domein.

Het negeren van die verzuring ligt dit seizoen aan de basis van haar doorbraak. Bol werd in februari Nederlands indoorkampioen 400 meter in een nieuw Nederlands juniorenrecord van 53,24 seconden. Maar de kenners raakten echt opgetogen van haar entree op de 400 meter horden, waaraan de atlete vorig jaar oktober schoorvoetend was begonnen.

Lees ook ons interview met het andere grote atletiektalent N’Ketia Seedo (16): Jong en chaotisch, maar op de atletiekbaan geordend en snel.

WK-limiet

In Genève, bij haar derde internationale wedstrijd op dat zware nummer, versloeg Bol vorige maand Europees kampioen Lea Sprunger uit Zwitserland in 55,94, waarmee ze tot haar verbazing de limiet haalde voor de WK, eind september in Doha. Nog een halve seconde sneller en ze mag volgend jaar ook naar de Olympische Spelen in Tokio. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Normaal is het zeker niet, logisch wel, vertelt haar trainer Bram Peters. Ze maakt versneld vorderingen. Omdat Bol leergierig, taakgericht, gedreven en gedisciplineerd, maar bovenal buitengewoon getalenteerd is. En gezegend met de ideale bouw voor de 400 meter, met lange benen die puberend nog alle kanten op zwaaiden, maar waarmee ze dankzij intensieve stabiliteitstrainingen inmiddels vloeiend over de horden zweeft.

Maar dé brandstof is Bols vermogen om door te gaan waar anderen compleet stuk gaan. Haar verklaring: „Ik kan op die laatste 100 meter de knop omzetten en alleen bezig zijn tegenstanders in te halen. Ik voel mijn benen wel, maar blijf gaan en blijf goed op mijn techniek letten. Ik ga ook ‘dood’ hoor, maar kan me daar mentaal overheen zetten. Wat anderen zo vreselijk vinden aan de 400 meter, vind ik juist leuk. Die vermoeidheid heeft wel iets; ik voel het als een overwinning als ik door die verzuring heen heb gelopen.”

Vlak of met horden, Bol geniet van de 400 meter. En het versterkt elkaar, dankzij het ritme van een hordenrace: 22 passen tot het eerste obstakel, vervolgens elke 35 meter tussen de horden in vijftien passen. Bol, die tot driekwart jaar geleden nooit over de 400 meter horden had nagedacht en al helemaal niet wist dat er tien hekjes staan: „Die pasfrequentie dwingt me tot een vaste paslengte, wat mijn snelheid op de vlakke 400 meter ten goede komt.”

Taakgericht lopen

Haar progressie dankt Bol mede aan een harde les die ze vorig seizoen leerde. De vergeefse jacht op de limiet voor de WK junioren bracht haar tot het besef dat ze geen tijden moet najagen, maar een race planmatig moet indelen. Taakgericht lopen, noemt ze dat. Bol: „Ik kan exact vertellen wat ik op 280 meter moet doen. Kwestie van de race vooraf visualiseren zodat ik tijdens het lopen niet hoef na te denken, dat werkt het best. Dan zie ik bij de finish wel welke tijd ik heb gelopen.”

Die scherpe discipline gecombineerd met haar intense sportbeleving stuwt Bol naar de top. Want die gaat ze halen, daaraan twijfelt niemand in haar entourage. Zij zelf eigenlijk ook niet. „Ik doe dingen nooit half”, zegt Bol. „Ik heb talent en vind het zonde dat te verspillen. Sport maakt me in alle opzichten blij, daarom staat het in mijn leven altijd op één. Ik wil héél graag héél goed worden. Maar nooit ten koste van anderen. Ik blijf altijd vriendelijk. Waarom zou ik onaardig zijn tegen mijn concurrenten? Wij trainen er toch allemaal hard voor.”