Opinie

Eén tanker geschaakt en de Britten hebben de EU weer nodig

In Europa

Het Britse verzoek om een Europese marinevloot bij elkaar te sprokkelen om olietankers te beschermen in de Straat van Hormuz, afgelopen maandag, legt een paar geweldige paradoxen bloot in de internationale politiek.

Het is natuurlijk pure ironie dat een land dat zichzelf uit alle macht probeert te bevrijden uit de klauwen van de EU, tegelijkertijd merkt dat het in zijn eentje weinig klaarspeelt in een wereld waarin echte grootmachten rauwe geopolitieke machtspelletjes spelen. Eén tanker geschaakt, mede door Amerikaanse politieke manoevres – en de EU is voor de Britten weer goed genoeg.

Maar zo werkt het. Slogans over nationale soevereiniteit doen het goed in talkshows en op sociale media, maar staan ver van de realiteit af. Politici weten dat donders goed. Elke dag zie je daar cynische voorbeelden van. Veel harde Brexiteers geloven allang niet meer in de zegeningen van Brexit, maar blijven ervoor gaan omdat het volk destijds voor hun slogans is gevallen.

Een ander cynisch voorbeeld is dat Europese landen hun legers decennialang hebben verwaarloosd, maar tegelijkertijd bijna allemaal tegen een Europees leger zijn. Op het moment dat „take back control” op de realiteit stuit, proberen politici gauw een oplossing te verzinnen. Het enige wat ze dan kunnen bedenken, is om de krachten te bundelen. Natuurlijk, want dat is het enige dat werkt.

Konrad Adenauer zei al in 1954 dat Europa een „dritte Macht” moest worden tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. „Individuele Europese landen hebben politiek en economisch weinig invloed in de wereld,” zei hij, „maar samen kunnen ze wel invloed hebben.” Economisch is de EU uitgegroeid tot zo’n derde macht, naast de VS en China. Maar op buitenlands-politiek gebied niet. Polen en Duitsland worden het nooit eens over Rusland. Frankrijk en Italië vechten via warlords een oorlog uit in Libië. Transatlantische relaties worden steeds meer bilateraal. Landen als Polen, die de rode loper uitrollen voor Washington, krijgen Amerikaanse bescherming. Anderen kunnen er vermoedelijk naar fluiten.

En dan de grootste paradox van allemaal. EU-landen hebben sinds 2009 hun eigen buitenlandse dienst opgetuigd. Ze vragen om de haverklap beleid voor Syrië, Venezuela, de Sahel en andere probleemgebieden. Tegelijkertijd moet de Europese buitenlandse dienst inkrimpen. Jazeker: elk jaar worden daar posten geschrapt. Dat komt doordat het begrotingscomité van de Raad in Brussel, waarin nationale ambtenaren zitten, weigert om beleid dat ministers op hoger niveau hebben besteld te bekostigen. Waarna het beleid doorzingt, maar dan zonder budget.

Kortom: de Europese buitenlandse politiek bestáát, meer dan ooit – maar ze bestaat ook niet. Dat lijkt veel landen wel goed uit te komen. Als dingen mislopen, zeggen ze: de EU functioneert niet. Dan zijn ze terug bij hun eigen slogans.

Lees ook: Nederland moet niet zomaar meedoen met Britse missie in Straat van Hormuz

De Portugese minister Augusto Santos Silva zei laatst dat een echt Europees buitenlands beleid een illusie is. „Het beste wat we kunnen doen is groepjes vormen, per onderwerp. Voor Venezuela, voor de hoorn van Afrika. Het EU-land met de meeste kennis neemt de leiding, de rest vertrouwt op diens expertise. Portugal trekt de kar in Afrika, Oostenrijk op de Balkan.”

Missies tegen piraten bij Somalië, jihadi’s in Mali of Russische hackers: een of twee Europese landen beginnen en anderen volgen dan – of niet. Zo werkt het inderdaad vaak. Het Britse verzoek voor een Europese marinevloot in de Straat van Hormuz sluit hier naadloos bij aan.

Inmiddels is Oman, dat ook een rol speelde bij het tot stand brengen van de nucleaire deal met Iran, gaan bemiddelen tussen Londen en Teheran. Misschien is die tankeroorlog alweer bijna voorbij. Dan is die hele Europese vloot niet meer nodig, en kunnen de Brexiteers zich weer op hun slogans storten. Totdat de volgende crisis zich aandient.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.