Recensie

Recensie

Het schandalige leven van een sociale klimmer

Romeyn de Hooghe Deze 17de-eeuwse kunstenaar had vele beroepen en was zelfs korte tijd geheim agent. Hij loog en bedroog zijn hele leven bij elkaar en liet op listige wijze een grachtenpand bouwen.

Er is tegenwoordig maar één straat naar hem genoemd, in een nieuwbouwwijk in Deventer, en zijn etsen worden niet vaak tentoongesteld. Maar aan het einde van de 17de eeuw gold Romeyn de Hooghe (1645-1708) als een vooraanstaande figuur in de Nederlandse kunst. Hij was een opvallend productieve en veelzijdige kunstenaar. Om te beginnen ontwierp en etste hij zo’n 4.300 prenten: nieuwsprenten, topografische prenten, spotprenten, illustraties en titelpagina’s voor boeken. ‘Een duizelingwekkend arsenaal aan inventies en composities, waarvan het nauwelijks is voor te stellen dat ze aan het brein van één man zijn ontsproten’, schreef Rijksmuseumconservator Huigen Leeflang bewonderend in de catalogus bij een De Hooghe-tentoonstelling in 2008.

Na zijn veertigste ontwierp De Hooghe bovendien sculpturen, wandschilderingen, glas-in-loodramen, triomfbogen en tuinen. En in 1691 was hij verantwoordelijk voor de monumentale versieringen van Den Haag bij de intocht van de Hollandse stadhouder en Engelse koning Willem III – op dat moment ‘de duurste en meest spectaculaire multimediavoorstelling ooit in de Nederlanden vertoond’, aldus De Hooghe’s biograaf Henk van Nierop.

Van Nierop, emeritus hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, was in 2008 samensteller en co-auteur van de tentoonstellingscatalogus en zette zijn onderzoek naar de kunstenaar sindsdien voort. Dat resulteerde in zijn vorig jaar verschenen studie The Life of Romeyn de Hooghe. Prints, Pamphlets, and Politics in the Dutch Golden Age. Van die biografie is nu een Nederlandse editie verschenen, met de ronkende titel De vernuftige etser. Het scandaleuze leven van Romeyn de Hooghe.

Martelen en plunderen

Van Nierop, die na al die jaren zo vertrouwd met de etser is dat hij hem bij zijn voornaam noemt, behandelt Romeyns kunst alleen voor zover zij samenhangt met zijn persoonlijke leven en zijn tijd, en gaat daarbij meer op de betekenis in dan op de uitvoering. Romeyn maakte veel politieke prenten die nu uitleg behoeven en etsen van actuele gebeurtenissen die inmiddels historisch zijn: marteling, plundering en brandstichting tijdens de Franse invasie van de Republiek in het rampjaar 1672, de brute moord op de gebroeders De Witt, de herovering van vestingsteden door het Staatse leger en de triomf van Willem III in Engeland.

In deze satirische roman worden de vele ‘vulgaire’ personages gedreven door tomeloze afgunst en hebzucht. Lees ook: ‘Een goed huwelijk staat voor een huwelijk dat geld oplevert’

Terloops is deze biografie dus een opfriscursusje vaderlandse geschiedenis, nota bene geïllustreerd door de kunstenaar die het eigenlijke onderwerp van het boek is. De afbeeldingen zijn scherp en helder, maar net te klein om het uitgebreid beschreven gekrioel van vechtende, verkrachtende en brandstichtende figuren tot in de details te tonen.

De meer historische dan kunsthistorische benadering van zijn biograaf wordt gerechtvaardigd door Romeyns opzienbarende levensloop. Geboren als zoon van een Amsterdamse knopenmaker werkte hij zich op tot een beroemd en rijk kunstenaar, kunsthandelaar, advocaat, rechter, directeur van een steengroeve, regent van het Haarlemse weeshuis en leenman van Kennemerland. Hij was de belangrijkste vervaardiger van prenten ter verdediging van Willem III, wat hem veel beschermers en opdrachtgevers in oranjegezinde kringen opleverde. Later had hij ook nog een korte carrière als geheim agent, schreef hij twee geleerde boeken en was hij oprichter van het eerste geïllustreerde satirische tijdschrift in Nederland.

Mateloos ambiteus

Romeyn was mateloos ambitieus. Hij ging door roeien en ruiten om zijn maatschappelijke status te versterken en te behouden. Toen hij met zijn gezin van Amsterdam naar Haarlem was verhuisd, verkreeg hij daar op listige wijze toestemming van het stadsbestuur om een statig grachtenpand te laten bouwen. Hij dwarsboomde het huwelijk van zijn dochter met haar geliefde, die hij niet chic genoeg vond als schoonzoon. Hij loog en bedroog zijn hele leven lang. En toen hij daardoor in het nauw kwam, verraadde hij een trouwe kameraad, die later zelfmoord pleegde in de gevangenis.

Als wraak op zijn tegenstanders liet Romeyn pamfletten drukken die doen denken aan diss-tracks van rivaliserende rappers.

Behalve vrienden maakte Romeyn met zijn opportunistische gedrag ook veel vijanden. In 1681 verscheen er een soort sleutelroman waarin hij werd voorgesteld als een oplichter en dief, die bovendien pornografisch materiaal produceerde en zijn echtgenote aanmoedigde seksueel contact met andere mannen te hebben – zolang zij daar maar voor betaalden.

In 1690, toen hij zich middels spotprenten vóór Willem III en tegen de burgemeesters van Amsterdam had uitgesproken, namen de Amsterdamse regenten wraak met een nieuwe lastercampagne. In anonieme pamfletten werden de oude geruchten over diefstal, fraude en zedeloosheid nieuw leven ingeblazen; daarbij werd Romeyn beschuldigd van godslastering en incest. Op zijn beurt liet Romeyn pamfletten drukken met laster en beledigingen aan het adres van zijn tegenstanders. De een ziet ‘zo effen als bloempap’, de ander is ‘schraal en mager als een ooievaar’, weer een ander heeft ‘een oud pruikje op een pokkig hoofd’. Teksten die soms doen denken aan de diss-tracks van rivaliserende rappers.

Goddeloos

Van Nierop bespreekt niet alleen heel precies alle verdachtmakingen en getuigenissen tegen Romeyn, maar probeert ook na te gaan in hoeverre ze op waarheid berustten. Tegen het einde van zijn boek concludeert hij eufemistisch ‘dat eerlijkheid en betrouwbaarheid niet behoorden tot Romeyns kernwaarden’.

Na zijn dood in 1708 bleef Romeyns naam ‘een synoniem voor slechtheid en goddeloosheid’. De kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken beschouwde hem als de beste etser in de Republiek, maar ook als ‘een slechte knaap’. Zijn collega Jacob Campo Weyerman deed er nog een schepje bovenop door de ‘uitmuntend plaatetser’ toch ook een monster te noemen, ‘en de onderkoning van de hel’. Een figuur die vroeg om een biografie dus, deze Romeyn de Hooghe. Maar niet per se iemand om straten naar te vernoemen.