De ongekamde haren van een enge professor

Zomerserie Het Verhaal Deze zomer verkent de wetenschapsredactie de relatie tussen de mens en zijn verhalen. Deze week: wetenschap in kinderboeken. Kunnen kinderen zich herkennen in de wetenschappers in kinderboeken?

Illustratie Olivia Ettema

Er was eens een wetenschapper. Een blanke man van middelbare leeftijd, gekleed in een labjas. Kalend of met grijzig ongekamd haar, en met gedachten minstens zo warrig als zijn verschijning. Wereldvreemd én geniaal. Voorbestemd om de aarde te redden – of juist te vernietigen.

Een stereotiep beeld? Allicht. En tóch is dit de manier waarop wetenschappers nog vaak in verhalen figureren. In strips: Professor Zonnebloem in Kuifje, Professor Barabas in Suske & Wiske. In speelfilms: Dr. Emmett Brown in Back to the Future. In tekenfilms: labmuis Brain uit Pinky & the Brain – dit is weliswaar geen mens, maar voldoet verder geheel aan het stereotype.

In de jeugdliteratuur is het niet anders gesteld. Ook in kinderboeken voldoen wetenschappers vaak aan clichés, verzucht literatuurwetenschapper Frauke Pauwels van de Universiteit Antwerpen tijdens een wandeling door de plaatselijke Zoo.

Als promovendus onderzoekt ze de beeldvorming over wetenschap in kinderboeken, zowel in fictie als in ‘verhalende’ non-fictie – gebaseerd op wetenschappelijke feiten, maar wel in verhaalvorm gegoten. Ze bestudeerde daartoe oorspronkelijk Nederlandstalige kinderboeken die tussen 2000 en 2015 verschenen in de leeftijdscategorie 6 tot 14 jaar, waarin wetenschap een rol speelt – tot nu toe verzamelde ze er zo’n 370. „Voor veel kinderen vormen zulke boeken, samen met films en televisieseries, hun eerste kennismaking met de wetenschap”, zegt Pauwels. „En juist die indruk kan de doorslag geven of ze op de middelbare school wel of niet kiezen voor bètavakken. Of zoals we in Vlaanderen zeggen: STEM-onderwijs – science, technology, engineering & mathematics. Heel veel kinderen hebben een intrinsieke nieuwsgierigheid, willen graag begrijpen hoe dingen in elkaar zitten. Maar als ze zich niet herkennen in wetenschappers, gaan ze wetenschap zien als iets dat niet voor hen is.” Of, zoals Pauwels het in 2018 verwoordde tijdens haar Woutertje Pieterse Lezing: „Wie wil nu bij de club horen van smakeloos geklede eenzaten die obsessief opgaan in onderzoek dat volstrekt nutteloos of minstens onbegrijpelijk lijkt?”

Professor Dumkopf

De winkel bij de ingang van de dierentuin barst van de feitjesboeken, fictieverhalen, prentenboeken, zelfs poëzie. Over biologie, maar ook over natuurkunde, sterrenkunde, geschiedenis. Om nieuwsgierige kinderen tevreden te stellen of juist nóg nieuwsgieriger te maken.

In fictieboeken staat de wetenschap in dienst van het verhaal. Zo merkt Pauwels op dat er vaak sprake is van een ‘Eureka-script’ (een verhaallijn waarbij wordt toegewerkt naar een belangrijke ontdekking) of een ‘Frankenstein-script’ (waarbij een uitvinding zich tegen de uitvinder keert). De hoofdpersoon bindt bijvoorbeeld de strijd aan met een kwaadaardig genie, of wil zelf wetenschapper worden. Pauwels: „In Spinder, van Simon van der Geest, gebruikt hoofdpersoon Hidde zijn kennis van insecten om de mensen om hem heen beter te begrijpen. Hij vergelijkt zijn oudere broer Jeppe bijvoorbeeld met een sluipwesp: ‘Net zoals een sluipwesp eitjes in een rups legt, laat Jeppe af en toe een boodschap achter. Een eitje vol angst. Hij hoopt dat het eitje gaat groeien. Dat er een rups uitkomt die steeds roept: pas op, Jeppe is sterker’.”

In non-fictie staat het verhaal vooral in dienst van de wetenschap. De schrijver spreekt de lezer aan als amateur-wetenschapper, of probeert op een andere manier fascinatie op te wekken. Pauwels: „Jan Paul Schutten begint zijn non-fictieboek Het wonder van jou en je biljoenen bewoners bijvoorbeeld met de constatering dat wetenschappers behoorlijke aanstellers zijn. Hij schrijft: ‘Ze moeten namelijk zo nodig voor alles een moeilijk woord gebruiken. Dus heb je geen bil, maar een gluteus. Je neus is een nasus. En je grote teen is een hallux.’ Toch weet hij de kloof tussen wetenschappers en kinderen te overbruggen, juist door hun fantasie te prikkelen en door ze te stimuleren om vragen te stellen. Hij doet het eerst voorkomen alsof wetenschap een ver-van-je-bedshow is, en vervolgens brengt hij het dichterbij.”

In fictie wordt wetenschappelijke taal vaak gebruikt om te illustreren dat het personage bij de ingewijden hoort. „Wie ingewikkelde vaktermen, formules of Latijnse namen beheerst, telt mee als wetenschapper. Daardoor kun je als kind gefascineerd geraken, of juist denken: dat is niets voor mij.” Dat wordt nog eens versterkt door de locaties. „Heel vaak zijn de personages die zich met wetenschap bezighouden einzelgängers: ze doen hun onderzoek op een afgelegen plek – in een afgelegen schuurtje, in de kelder of op zolder – en hebben weinig interactie met anderen.”

Daarnaast zijn er de kenmerkende uiterlijke eigenaardigheden en attributen: warrig haar, labjas, bril, microscoop of telescoop. Die zitten ook in eventuele afbeeldingen. Zo bestudeerden de Amerikaanse onderzoekers Casey Rawson en Megan McCool enkele jaren geleden 1.656 afbeeldingen van wetenschappers in non-fictieboeken voor kinderen: het overgrote deel was man, blank en oud.

En de Britse Melissa Terras, hoogleraar digitale geesteswetenschappen, onderwierp bijna driehonderd prentenboeken (verschenen tussen 1850 en 2014) aan een analyse. Bijna de helft van de wetenschappers daarin is kaal, en bijna de helft heeft grijs haar. Een warrig kapsel komt voor bij ruim 1 op de 3 wetenschappers. De outfits die het vaakst voorkomen zijn de labjas en een safari-outfit. Vaak krijgen ze een duidelijke rol in het verhaal toebedeeld – die van vriendelijke leraar, of juist die van aartsvijand.

Terras vermeldt daarnaast ook dat veel boekenwetenschappers een wat denigrerende naam hebben, zoals Professor P. Brain (erwtenbrein) of Professor Dumkopf. Van de 108 wetenschappers in de door Terras onderzochte boeken, is 90 procent man, 8 procent is vrouw en 2 procent is geslachtloos – een alien of een groente.

Wat de man-vrouwverhoudingen betreft, ziet Pauwels dat meisjes in kinderboeken steeds vaker een wetenschappelijke rol krijgen toebedeeld. „Een mooi voorbeeld vind ik Ada Dapper, wetenschapper van Andrea Beaty en illustrator David Roberts, vertaald door Edward van de Vendel. Daarin bedenkt een klein meisje – vernoemd naar Ada Lovelace, wiskundige en de allereerste computerprogrammeur – allerhande wetenschappelijke experimenten.”

Hoewel meisjes aan een opmars bezig zijn, schitteren volwassen vrouwen in de door Pauwels onderzochte boeken door afwezigheid. „Als ze al een rol spelen, dan is die vaak negatief, zoals een altijd maar afwezige vulkanoloogmoeder.” En daardoor kunnen ze ook geen rolmodel vervullen voor meisjes. „Uit eerder onderzoek blijkt wel dat veel kinderen wetenschap dóén leuk en interessant vinden, maar dat het idee om wetenschapper te zíjn iets heel anders is. In de hoofden van die kinderen is een wetenschapper toch nog altijd een man die van nature slim en geïnteresseerd is, en die buiten de normale samenleving staat. Niet iemand met wie elk kind zichzelf snel identificeert. Dus dan zullen ze ook minder snel voor STEM-onderwijs kiezen.”

De schrijvers van wetenschappelijke kinderboeken zijn over het algemeen geen wetenschappers, zegt Pauwels. „Al blijkt bijvoorbeeld wel vaak dat ze zelf als kind al gefascineerd waren door wetenschap – ze wilden bijvoorbeeld sterrenkundige worden, of bioloog.” En wetenschappers in kinderboeken mogen dan veelal mannelijk zijn, dat geldt niet voor de schrijvers ervan. Al eind negentiende eeuw schreef Arabella Buckley, secretaris van geoloog Charles Lyell en goede kennis van Charles Darwin, The fairy-land of science, waarin ze haar lezers allerhande natuurverschijnselen uitlegt en ze proefjes laat doen. En in 1906 verscheen in Zweden Nils Holgersson’s Wonderbare reis van Selma Lagerlöf. In dat boek wordt de vervelende jongen Nils omgetoverd tot een piepklein ventje dat op de rug van een gans meevliegt naar het uiterste noorden van Zweden. Lagerlöf was lerares, en Nils Holgersson was bedoeld om Zweedse basisschoolkinderen op een toegankelijke manier te onderwijzen in onder meer aardrijkskunde, biologie en geschiedenis. En dus vliegt Nils met zijn ganzenvrienden over de Zweedse provincies – over akkers en weiden, over mijnbouwgebieden en over bergen. Onderweg raakt hij bevriend met elanden en raven. De ganzen met wie hij meevliegt, hebben de namen van bergtoppen (Akka van Kebnekaise) en van de Finse cijfers 1 t/m 6 (Yksi, Kakse, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi). Pauwels: „In de negentiende eeuw vloeiden wetenschap en kunst nog vaker in elkaar over. Vandaag drijft de toegenomen specialisatie wetenschap verder weg van de leek. Een boek als Nils Holgersson weet nu misschien niet heel veel lezers meer te boeien. Maar alsnog kan ik me voorstellen dat er kinderen zijn die dáárnaar op zoek zijn, naar die verdieping.”

Erik of het Klein Insectenboek

Ook in Nederland bestaan klassiekers over wetenschap, zoals De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling van Leonard Roggeveen, uit 1927 (over een jongen die een stof ontdekt waarmee hij dingen onzichtbaar kan maken) en Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans, uit 1941 (over Erik Pinksterblom die bevriend raakt met de insecten in het schilderij Wollewei).

Vergeleken met de huidige jeugdliteratuur komen die oude boeken wat schools en pedagogisch verantwoord over: Nils Holgersson gedraagt zich ongehoorzaam tegenover zijn ouders, en dús wordt hij betoverd. Erik Pinksterblom heeft voor het slapen gaan braaf geleerd voor zijn proefwerk over biologie. Maar tegelijkertijd laten die boeken zien dat tot de verbeelding sprekende verhalen – zelfs als ze wat gedateerd ogen – toch tijdloos kunnen zijn. Zo werd Erik of het klein insectenboek in 2013 nog ingezet voor het landelijke project ‘Nederland leest’.

Ondertussen in de Antwerpse Zoo is Pauwels blijven staan bij de zebra’s, die vliegen proberen weg te staan met hun staarten. Opvallend veel kinderboeken gaan tegenwoordig over insecten en klimaatverandering, zegt ze. „Onderwerpen die ook in de wetenschap actueel zijn. Kinderen hebben ook een gekke positie als het gaat om thema’s als biodiversiteit en klimaat: doorgaans worden ze ofwel getypeerd als slachtoffer van al die veranderingen, of als potentiële redders van onze aarde.”

Natuurlijk, één goed kinderboek over wetenschap – met een spannend verhaal, interessante feiten én toegankelijke personages – zal niet direct leiden tot een nieuwe generatie klimaatwetenschappers. „Maar met wat geluk zorgen die boeken er wél voor dat kinderen wetenschap zien als boeiende manier om naar de wereld te kijken.” En zo blijven ze hopelijk nog lang en gelukkig doorlezen.

Correctie (27 juli 2019): In een eerdere versie van dit stuk stond de naam van Leonard Roggeveen geschreven als Leonard Roggebeen.