Opinie

Berggeit

Hugo Camps

De berggeiten zijn dood. Klimmers die de rivalen op een kwartier rijden zijn er niet meer. Het gevoel voor gelukkige eenzaamheid in de bergen is kennelijk verdampt. De cinematografische kick van het landschap inspireert ook niet meer. Je hoort niemand nog over het geluk alleen tegen de flanken van de Galibier te mogen hangen.

De Tour is een zakjapanner: calculatie van de morgen tot de avond. Elke demarrage wordt afgewogen zoals het biefstukje ’s avonds in het rennershotel. Niet het hart, de wattage moet kloppen. En daarom laten ook echte berggeiten het afweten. Niemand wil nog Charly Gaul of Federico Bahamontes zijn. Miguel Indurain is ook ontvleesd tot postzegel voor de Spaanse binnenlanden. Zouden er nog drie wakkere Nederlanders zijn die weten hoeveel cols buitencategorie er in deze Tour zijn verreden?

Het wielervolk is geprogrammeerd op sprinten en jumpen. Het trage wegknagen van hoogtemeters spreekt alleen tot de verbeelding als een landgenoot meedoet. Al denk ik dat Steven Kruijswijk daar anders over denkt. Hij staat vierde in het klassement, is bereid voor elke molshoop te knokken, maar de hype blijft uit. Het ontbreekt de oerdegelijke Brabander aan avontuur om resoluut de benen te nemen. Daarnaast is hij gestempeld door de domheid van het noodlot. De val in de sneeuw waarmee hij drie jaar geleden de eindzege in de Giro verspeelde, schrijnt onverminderd na. Dat doe je een kampioen niet aan.

Afgezien van de vraag of hij het podium van de Tour zal halen, is Stevie een mooi klimmertje. Gebeitelde zit, geen trek- en duwwerk. Een stille gentleman – de hele ploeg wil zich graag voor hem afbeulen. Hij incarneert de algemene deler van de succesploeg Jumbo-Visma, met vier ritzeges, een tijdelijke witte trui voor Van Aert en de dagelijkse wil om in het zicht van de aankomst à bloc te rijden. Steven is geen mooiprater, hij overschat zijn capaciteiten niet, heeft vrede met het de blinde adoratie voor Dumoulin en Groenewegen in de polder. Zijn klimtalent volstaat voor persoonlijke genoegdoening.

In deze bizarre Tour is Nairo Quintana herboren. Althans voor ritwinst, niet voor de eindzege. Op de Galibier knalde hij snoeihard weg voor een laatste solo. De elegantie van zijn verleden was helemaal terug. De getaande Colombiaan sneed door de ijle lucht als een mes door de boter. Ademloos aanschouwde ik andermaal de roerloosheid van zijn bovenlichaam. Geen rimpeling in de schouders, geen briesje in de rug. Hij was opgegaan in het gebergte en kreeg vleugels van die eenwording. Hij kwam weer thuis in Valloire. Hij was mede landschap geworden, in de eeuwigheid van een rotsig gevaarte.

Wielerliefhebbers schrokken van het verraad in de Alpen. Geraint Thomas vond het gepermitteerd achter zijn teamgenoot Bernal te gaan jagen – in kermiskoersen weten ze beter. De hele Ineos-formatie komt niet tot ouderwetse grandeur. Er is in de Tour geen patron meer die angst inboezemt. En dus ook geen overtuiging, geen structuur, geen bravoure om een vlucht af te maken. Ineos is een ordinair ploegske met geld.

Drie dagen voor het einde van de Tour is de winnaar nog steeds niet bekend. Op zich is dat een goed teken, maar het betekent ook dat het peloton een verzameling geplafonneerde talenten is. Niemand steekt erbovenuit. Alaphilippe, Bernal, Pinot en Kruijswijk konden het klassement niet openbreken. Ze bleven hangen in de schaduw van zichzelf. Historisch was het niet, de elegante Tour 2019. Spannend was het wel.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.