De reis naar Normandië leek de grootste onzin die ik ooit bedacht had

Weg Het geweldige plan van gisteren om naar Normandië te gaan leek de grootste onzin die hij ooit bedacht had, mijmert Taco Börger. Toch reed hij naar Noord-Frankrijk. „Ik was blij dat ik er weer was.”

Illustratie Merel Corduwener

Veel had ik de afgelopen dertig minuten niet gedaan. Een sigaartje gerookt, besloten dat mijn auto de mooiste was, water gedronken en wat gegeten. Toen zag ik dat het honderd meter verderop al weer langzaam begon te rijden. Dat was jammer. Ik zat hier wel goed op die vangrail. Het was nog vroeg en ik had verder weinig te doen. Koffie drinken, calvados kopen en als ik geluk had en het eb was over het strand naar Veules les Roses lopen. Misschien haalde ik het zelfs naar Saint-Valery-en-Caux. Daar kon ik dan nog wat eten voordat ik over de weg terug naar m’n auto zou wandelen.

Ik had het al wel tien keer gelopen. En elke keer was het landschap, afgezien van de krijtrotsen natuurlijk, even plat en saai als het Nederlandse. De stranden en de zee zelfs onuitnodigender dan die in Nederland. Maar altijd had het landschap ook iets mysterieus gehad. Somber en onheilspellend. Alsof het zijn adem inhield voor iets groots en gruwelijks dat op het punt stond te gebeuren of nog maar kort geleden over het land had geraasd. Iets dat natuurlijk alleen in mijn fantasie bestond, maar waardoor ik er toch telkens weer naar terugverlangde en waarvoor ik vanochtend uiteindelijk toch in de auto was gestapt.

Voor het zover was had ik bijna een uur aan de keukentafel gezeten. Het geweldige plan van gisteren om naar Normandië te gaan leek de grootste onzin die ik ooit bedacht had. Ik had er niks te zoeken. Ik was er al zo vaak geweest, de calvados had ik niet nodig en over het strand lopen kon ik hier ook. Bovendien zou ik vast weer eindeloos verkeerd rijden, afritten missen en in de saaiste dorpjes terechtkomen. Het leek een waardeloos plan. En dus besloot ik te wachten. Te wachten tot ik weer wist hoe fijn het was Sotteville-sur-Mer binnen te rijden. Te parkeren naast de menhir en de warmte te voelen die naar binnen sloeg zodra ik het portier opende. De ijle geur van de zee een paar honderd meter verderop die maar nooit warm leek te worden.

Om één uur ’s middags had ik honderden kilometers gereden, koffie gedronken bij tankstations langs de Franse snelweg, in de file gestaan, op een vangrail gezeten en een sigaar gerookt bij de menhir in Sotteville-sur-Mer. Zes uur waarin ik niets had hoeven zeggen, niets hoefde te weten en geen mening hoefde te hebben. Waarin het me niet had uitgemaakt hoe vaak ik verkeerd gereden was of hoe lang ik in de file stond. Waar niets anders was dan het plakkende geluid van de banden dat langzaam overging in een donker gestommel zodra de file oploste. Gestommel, en flarden van gedachten. Losse woorden. Verder niets. En nu slenterde ik door het donkere kruidenierswinkeltje tussen de gedroogde hammen en de koekjes, op zoek naar calvados. De oude vrouw bij wie ik straks moest afrekenen zou glimlachen en zeggen dat het een goede was. Uit de streek. De beste. Dat wist ik omdat ze dat de vorige drie keren ook had gedaan. Ik zou haar bedanken en tot ziens zeggen. Dat had ik tenslotte ook elke keer gedaan. Toen ik me omdraaide bij de deur stak ze haar hand op. Ze glimlachte nog steeds. Ik ook.

Ik wist dat ik spijt zou krijgen wanneer ik niet ook op het strand was geweest

Het zal eruit hebben gezien alsof ik me realiseerde iets vergeten te zijn en me nu probeerde te herinneren wat het was. Minutenlang stond ik op de smalle stoep voor het kruidenierswinkeltje. Besluiteloos. Ik wilde alle drie. In het dorpje blijven, naar het strand, en verder rijden. Maar ik wist dat ik spijt zou krijgen wanneer ik niet ook op het strand was geweest. Dus liep ik richting de kust. Langs het oorlogsmonument en het kerkje. Rechtsaf en dan de rechte weg in naar de betonnen trap die naar het strand leidde. Een smalle weg omzoomd door hagen die zo vol zijn dat ik nooit heb kunnen ontdekken wat zich erachter bevindt. De weg leek langer dan ik me herinnerde. Langer, maar net zo verlaten als altijd. De betonnen trap was nog door de Duitsers gemaakt. Of opgeblazen. Ik kon het niet goed lezen, dus gokte ik op het laatste. Maar het beton was warm en glad. Zacht, bijna. Het enorme strand verlaten. Vergeten. Hier was niemand. Zelfs de zee had zich eindeloos ver teruggetrokken.

Ik begreep het wel. Wanneer ik de zee was zou ik ook weg willen. Naar het westen. Of helemaal naar het zuiden. Een plek waar je warm en helder kon zijn. Maar ik wist ook dat er een moment kwam waarop ik terug zou verlangen naar het landschap waar in al die jaren zo weinig veranderd was, en waar zo weinig gebeurde dat je je alle mooie dingen van de keren dat je er was nog herinneren kon. Kleine dingen, die je altijd bij je droeg. Een broodje na een veel te lange wandeling. Gekocht bij een bakker die eigenlijk al gesloten was. Of de plek waar ik schuilde voor de regen terwijl de damp in trage slierten van het nog gloeiend hete asfalt sloeg. Maar de dingen die het landschap zo mysterieus en soms zo somber maakten, waren alleen hier oproepbaar en zelfs dan gleden ze hooguit langs me. Als een fluistering. Te zacht om te kunnen verstaan. Geluiden van een landschap dat nog bezaaid lag met de herinneringen van anderen.

Lees ook: Zo kies je zonder stress de perfecte vakantiebestemming

Ik was blij dat ik er weer was. Dat alles in dit sprookjesachtige landschap er nog was. Dat het grootste deel daarvan alleen in m’n verbeelding bestond, maakte het hier niet minder bijzonder. Maar ik was ook blij toen ik eindelijk een doorgang in de duinen vond die niet naar een huis met een hond, maar naar een dorpje leidde. Hoe het plaatsje heette wist ik niet. Misschien was het Saint Valery. Maar misschien was ik dat wel voorbijgelopen. Ik had geen idee waar ik was en besloot het ook niet te vragen. Ik zou op zoek gaan naar een bakker en daarna teruggaan naar Sotteville. Daar kon ik nog wat eten voordat ik terug naar huis zou rijden. Maar waarschijnlijk zou ik meteen in m’n auto stappen. Ik verheugde me op de rit. Op de eindeloze eentonigheid die maar nooit ging vervelen en het moment waarop m’n auto weer de fijnste plek op aarde werd. De fijnste plek op aarde. Tot ik weer thuis was. De straten donker en verlaten. De hitte van de dag nog opgesloten in m’n huis. Terug van een reis waarover ik het nooit zou kunnen hebben omdat er nou eenmaal niets was gebeurd waarover iets te vertellen viel.