De vrees is groot dat de terreur van IS terugkeert

Irak Twee jaar na de bevrijding van dorpen en steden van IS is de spanning nog voelbaar. „Maar één persoon zei dat mijn zoon bij IS zat, en daarop is hij veroordeeld.”

Mannen die ervan worden verdacht IS-strijders te zijn, wachten op hun verhoor in een screeningcentrum nabij Kirkuk.
Mannen die ervan worden verdacht IS-strijders te zijn, wachten op hun verhoor in een screeningcentrum nabij Kirkuk. Foto Ivor Prickett/The New York Times

Moeder N. zit in een hoek van de kamer, haar dochter H. zit op een kleedje op de vloer tegenover haar, met haar babydochter in de armen. Zonder airconditioning is het binnen maar iets koeler dan de 43 graden buiten. N. vertelt rustig, al heeft ze voortdurend een zorgelijke frons boven haar ogen. Ze moest met haar kinderen vluchten voor haar eigen man, vertelt ze. Hij was „niet goed voor de kinderen”. Hij sloeg ze, maar erger nog: „Hij wilde dat zijn zoons bij IS gingen. Dus heb ik ze meegenomen naar een dorpje buiten de stad.” Toen ze verder probeerden te vluchten, kwam haar nu twintigjarige dochter bij een checkpoint in handen van IS. Hoewel het gebied nu bevrijd is, kan N. nog steeds nergens terecht.

De namen van moeder en dochter mogen van de ondersteunende, lokale organisatie niet worden gepubliceerd, anders lopen ze gevaar.

Twee jaar na de bevrijding van Iraakse dorpen en steden van terreurbeweging IS heeft de bevolking moeite met zichzelf in het reine te komen. Families van wie een zoon, man of dochter actief was bij IS, zijn per definitie verdacht. Tienduizenden als ‘IS-familie’ bestempelde gezinnen kunnen niet terug naar hun oorspronkelijke woonplaatsen. Tegelijkertijd voelen slachtoffers zich tekort gedaan. In sommige dorpen wint IS opnieuw aan sterkte.

Lees ook: ‘Ik wil mijn dochter terug uit Syrië’

Op een vraag naar haar eerste IS-echtgenoot begint H. hevig te trillen. Het magere meisje stort zich schokkend in haar moeders armen. Haar moeder houdt haar vast en leidt haar dan zachtjes de kamer uit. H.’s babydochtertje blijft spartelend achter op het kleedje. Praten over de mishandelingen en verkrachtingen uit haar tijd bij IS kan H. niet; wel vertelt ze, bijna triomfantelijk, hoe ze zich bij het huis van haar IS-man liet trappen door een paard in een poging een einde aan haar leven te maken. De sporen zijn nog te zien aan haar beschadigde oog en gezicht.

Na de bevrijding trouwde ze met een twintig jaar oudere, Koerdische man. Die is wél goed voor haar, zegt ze, al moet ze voor de drie kinderen van zijn overleden vrouw en haar eigen baby zorgen. „Ik heb niet genoeg inkomen om haar te onderhouden”, zegt haar moeder verontschuldigend als verklaring voor het huwelijk. Hoewel N. scheidde van haar IS-man, wil haar familie niets meer van haar weten.

Er bestaan wel succesverhalen, zegt Surood Ahmad van de lokale welzijnsorganisatie Al-Amal, in een telefonisch interview. „Sommige vrouwen scheiden van hun IS-man en gaan dan studeren of trouwen opnieuw.” Vaak accepteert een nieuwe echtgenoot de kinderen uit het vorige huwelijk echter niet en moet de vrouw afstand doen van haar kinderen.

Onderlinge spanning

De dagen van strijd lijken in de binnenstad van Kirkuk lang geleden. De cafés zitten vol, in een zijstraatje eten meisjes leunend tegen de auto softijsjes, hun hoofddoeken losjes op hun schouders. Maar je hoeft niet ver onder de oppervlakte te graven om de onderlinge spanningen te voelen. In de brandende zon staan een man en vrouw met een jongetje langs de weg op vervoer te wachten. Terwijl de vrouw vertelt hoe ze vanuit hun dorp in Kirkuk terecht zijn gekomen, begint de man achter zijn hand in een Nokia-telefoontje te mompelen. In de wijk erachter, waar veel vluchtelingengezinnen wonen, worden deuren op een kier geopend en snel weer gesloten. Een Koerdische medewerker zet een pet over zijn ogen om minder simpel herkend te worden. „Je weet niet waar ze vandaan komen, dit zijn misschien wel IS-gezinnen.”

Lees ook: Syrië en Irak staan deels in brand - wraak van IS?

In het provinciehuis zit sheikh Burhan Mezher Assi al-Obeidi, lid van de Arabische raad, achter een groot houten bureau. Terwijl een bediende water en zwarte thee ronddeelt, bladert Al-Obeidi op zijn mobiel door foto’s van zijn dorp, dat ook verwoest is in de strijd. Gemeenschappen weten niet wat ze met IS-families aanmoeten, verzucht Al-Obeidi. „Families uit allerlei dorpen vluchtten in de strijd hierheen. Een deel van die families had IS-kinderen. Toen hun gebied bevrijd werd, hebben gemeenschappen gezegd: kom niet terug. Maar er is noch wettelijk, noch volgens de regels van de stam of de maatschappij een antwoord op.”

Maar één persoon zei dat hij bij IS zat, en daarop is hij veroordeeld.

De vrees is groot dat de terreur van IS terugkeert. Iedereen die ook maar iets met ze te maken had, wordt gewantrouwd. Soms is dat wantrouwen volgens Surood Ahmad terecht. „Er zijn gevallen bekend waar de vrouw scheiding aanvroeg omdat de man gevangen of vermist was, en waarin die man toch verborgen bleek in het huis.” Verschillende gemeenschappen hebben als regel gesteld dat IS-families niet mogen terugkeren.

Wie bepaalt wie bij IS hoort en wie niet? In lopende-band-rechtszaken worden mensen tot lange gevangenisstraffen of zelfs de doodstraf veroordeeld. Van een eerlijk proces is geen sprake. Eén van de deuren in Kirkuk die op iets meer dan een kier opengaan, is die van Sleiman Mohammed Abdallah, een vriendelijke man met wit piekhaar en een grijze djellaba. Hij huurt dit huis omdat hij niet terug kan naar Hawija. Terwijl Abdallah tegen de deurpost leunt, gluren zijn kleinkinderen nieuwsgierig langs zijn benen. „Mijn zoon is veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf”, zegt Sleiman Mohammad Abdallah. Volgens Abdallah heeft iemand zijn zoon erbij gelapt. „We hadden twee getuigenissen in zijn voordeel van dorpsoudsten, plus drie van gewone burgers”, vertelt hij. „Maar één persoon zei dat hij bij IS zat, en daarop is hij veroordeeld.” Of dat klopt, valt niet te controleren, maar er zijn meer mensen die zeggen dat de rechtszaken tegen vermeende IS’ers op grote schaal worden gebruikt om af te rekenen met persoonlijke vijanden. „Als je twintig jaar geleden een probleem met iemand had, heb je nu de kans om wraak te nemen”, aldus Abdallah. Bovendien is er regelmatig sprake van persoonsverwisselingen. Als je per ongeluk dezelfde naam hebt als een IS-verdachte, zie dan maar eens te bewijzen dat het om een ander gaat. Advocaten zijn volgens HRW huiverig om mensen bij te staan, omdat ze dan zelf te horen krijgen: „Ben je soms IS’er?” en het risico lopen gearresteerd te worden.

Op het kantoor van de gouverneur lopen militairen, politici en ambtenaren met stapels papieren in en uit. Tussen twee vergaderingen door wil Rakan Saeed al-Jabouri, de interim-gouverneur van Kirkuk, wel iets zeggen over de situatie. „IS is niet weg”, benadrukt hij met een ernstige blik. „Ze verschuilen zich. Burgers moeten begrijpen dat de strijd tegen de terreur doorgaat.” Uit gesprekken met diezelfde burgers blijkt echter dat zij niet op het centrale gezag vertrouwen om IS aan te pakken. De angst voor IS is groot, maar het wantrouwen tegenover politie en militairen – grotendeels afkomstig uit andere bevolkingsgroepen – zo mogelijk nog groter.

Bewoners van het gebied rond Hawija fluisteren in privégesprekken wel dat in sommige dorpen IS inderdaad is teruggekeerd. Leden van de terreurbeweging heersen ’s nachts, ze terroriseren en chanteren de dorpelingen. Maar die voelen zich klem zitten tussen politie en IS-strijders. „Als je een IS’er aangeeft, laad je de verdenking op jezelf”, zegt een van hen. „Hoe weet je dat, vraagt de politie dan, en wat weet je nog meer? Voor je het weet, sta je zelf bekend als een IS’er. Dan ben je nog verder van huis.” Uit de uiteenlopende verklaringen voor de branden die de afgelopen tijd de gewassen van veel boeren in het gebied vernietigen, spreekt het wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. De een zegt dat IS het vuur aansteekt, de ander beweert dat het wordt gedaan door sjiitische milities om de graanimport uit Iran in stand te houden, een derde is ervan overtuigd dat de federale politie zelf de velden in brand zet.

Volgens Surood Ahmad moet de regering daarnaast meer doen om tot echte verzoening te komen. Slachtoffers hebben nog geen schadevergoeding gekregen voor bezittingen en naasten die ze hebben verloren, en er zijn nog steeds mensen vermist die door IS waren ontvoerd. „Genoegdoening is een voorwaarde om te kunnen vergeven”, zegt Ahmad. „Families die in de tijd van IS hebben geleden, hebben nu de macht en de wapens. Als we wraakneming en meer geweld in de maatschappij willen voorkomen, moet er van beide kanten tolerantie komen.”