Opinie

Humor is een dekmantel voor racisme

Satire De excuses van het Zwarte Cross-festival voor racistische uitlatingen zijn een grote overwinning voor de anti-racisten, schrijft Maarten Boudry.

Maarten Boudry

De strijd tegen institutioneel racisme in onze samenleving behaalde deze week een grote overwinning. De organisatoren van Zwarte Cross beslisten dan toch om verschillende islamofobe en racistische bordjes van hun festivalweide te verwijderen, na protest op sociale media door onvermoeibare activisten. (Trigger warning: ik zal in deze column noodgedwongen enkele racistische uitlatingen moeten citeren).

‘Leve de kleurling!’, lazen we op een doek, naast de beeltenis van een Oempa Loempa. En boven een snackbartentje werd het nog grover: ‘Allah’s afbakbar’. Toen geduldige racismebestrijders hen daarop aanspraken, gaven de organisatoren eerst niet thuis: „Het is allerminst de bedoeling om iemand te beledigen of te discrimineren. Integendeel zelfs.” Allerminst! De borden zouden gewoon ‘bedoeld’ zijn als geestige kwinkslag, en het festival ‘bedoeld’ als inclusief. Maar zoals de antropoloog Martijn de Koning (zelf wit, maar dat is hem vergeven) deze week opmerkte: ‘bedoelingen’ doen er niet toe bij zulke racistische uitlatingen. Intenties zijn gemakzuchtige excuses waarachter witte onderdrukkers zich verschuilen. Racisme gaat niet om de intenties van de dader, maar om de gevoelens van het slachtoffer. Als iemand het als racisme aanvoelt, dan is het ook racisme.

Witte mensen die dat oneerlijk vinden, getuigen van wat men in de literatuur ‘witte fragiliteit’ noemt, het onvermogen om je eigen racisme onder ogen te zien en schuld te bekennen. Om, als je geschoren wordt, stil te zitten. In de regel geldt: hoe meer argumenten je aanhaalt om aan te tonen dat je niet racistisch bent, hoe fragieler.

Een voorbeeld is de witte Nederlander Huub Bellemakers, uitgerekend van de ‘progressieve’ partij GroenLinks. Die vond het islamofobe bordje ‘Allah’s afbakbar’ toch niet zo erg, want bij Zwarte Cross wordt ook met het christendom gelachen. Bellemakers verwees daarbij naar een ander bordje op het festival: ‘Zwarte Cross slechtste event sinds de kruisiging van Jezus Christus’.

Natuurlijk mag je met het christendom spotten, meneer Bellemakers, want dat is een witte godsdienst. Moslims daarentegen zijn gekleurde mensen, die in Nederland elke dag onder het juk van institutioneel racisme en wit suprematiedenken moeten leven. Blijkbaar beseffen witte mensen als Bellemakers niet dat academische onderzoekers sinds enige tijd ontdekt hebben dat de ‘islam’ eigenlijk een ras is. Blijkbaar hebben zij nog nooit gehoord van intersectionaliteit, een nieuwe vorm van activisme waarbij je groepen ontziet naarmate ze een hogere (dus eigenlijk lagere) slachtofferscore hebben. Met een witte vrouw mag je à la limite nog lachen, maar met een donkere vrouw zeker niet. En een zwarte, lesbische, transgender moslima is altijd boven elke vorm van humor verheven. Het is overigens helemaal niet neerbuigend om te doen alsof gekleurde mensen langere tenen hebben – het is gewoon een kwestie van respect voor zwakkere groepen.

Toegegeven, intersectioneel denken is niet altijd even makkelijk. Wit zijn is niet enkel een huidskleur, maar vooral een manier van denken. Neem Özcan Akyol, de columnist van het Algemeen Dagblad. Die heeft op het eerste gezicht een wat bruinere huidskleur, maar in zijn column van dinsdag bestempelde hij de activisten die de Zwarte Cross aanvielen als ‘humorloze engerds’, gewoon omdat zij zich om slachtoffers van racisme ontfermen. Akyol heult dus met witte supremacisten en islamofoben, wat betekent dat hij een huisallochtoon is, een identitaire bounty: bruin van buiten, wit van binnen. Een beetje zoals Martijn de Koning, maar dan andersom.

En dat racismebestrijders ‘humorloos’ zijn, mag geen verwijt heten. Al te vaak is humor een witte dekmantel om kwetsbare groepen te stigmatiseren, uit te sluiten en zwart te maken. Als witte mensen de strijd tegen racisme willen steunen, kunnen ze (behalve hun privileges en witte schuld erkennen) humor beter afzweren. Strikt gezien is het niet ondenkbaar dat sommige grappen geen enkele minderheid kwetsen, maar het is op voorhand onmogelijk te voorspellen welke onherstelbare emotionele en psychische kwetsuren je zal toebrengen, ongeacht je zogenaamde ‘bedoelingen’. Beter is het om humor veiligheidshalve volledig te mijden. En ‘satire’, dat geniepige sluipgif van witte onderdrukkers, al helemaal.

Maarten Boudry is filosoof aan de Universiteit Gent en publicist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.