Rik Lagendijk wilde voor zijn koeien een mens- en diervriendelijke stal.

Foto Niels Blekemolen

Hoe het werk van de melkveehouder verandert in een economisch delict

Nu boer zijn Rik Lagendijk mag van de overheid niet genoeg koeien houden om uit de kosten te komen. „Reparaties laat je wachten, in de hoop dat de melkmachine niet kapot gaat.”

In de grote open stal van Rik Lagendijk ruikt het naar een vochtig bos. Medewerker Ralph rijdt op een Ford 4000 rustig tussen de koeien door en woelt de dampende laag om zodat de verse mest zich vermengt met de houtsnippers. De koeien scharrelen vrij rond op het warme, donkerbruine matras; vooraan in de stal kan elk moment een van de drachtige koeien gaan kalven. Buiten sjokken de koeien die net langs de melkrobot zijn geweest in een trage sliert naar het land om te grazen.

De stal van Lagendijk staat aan de Toekomstweg, in Diessen, maar er ligt hier meer verleden. Zijn vader en oom gingen hem op deze plek voor. „Ik weet niet of ik volgend jaar nog boer ben.” Hij zegt het met een gezicht dat niet goed bij de boodschap past. Opgewekt. Open.

Lagendijk (43) was hier al vroeg „om de draadjes te verzetten”, koeien naar een vers stuk grasland te leiden, daarna is hij even naar huis geweest, verderop, om met de kinderen te ontbijten. Nu zet hij koffie in de kantine die uitzicht biedt over de stal. Op het erf glijdt een onbemand karretje met droogvoer over rails naar de pinken en vaarzen in de ligboxenstal die zijn vader en oom in 1974 bouwden voor 120 koeien. Groot voor die tijd. Er werd goed geld verdiend, met melkprijzen die boven de 40 cent per liter kwamen, twee gezinnen konden ervan leven. „De nieuwe stal, zo noemden we hem tot 2014.”

Op 1 april 2015 werd het melkquotum afgeschaft. Het werd gezien als bevrijdingsdag voor boeren die sinds 1984 hun productie moesten beperken om een Europese melkplas en boterberg te voorkomen. In de aanloop naar de afschaffing zag Lagendijk hoe boeren overal stallen bijbouwden. „Gaat dat wel goed, dacht ik. Krijgen koeien straks niet hetzelfde imago als varkens en kippen?”

Geen vreemde gedachte, als je om je heen kijkt in dit gebied tussen Tilburg en Eindhoven. Lagendijk zit in misschien wel het dichtst bedierde stukje Nederland. Aan het begin van de weg staan drie splinternieuwe stallen voor bijna 200 duizend vleeskuikens. Achter de boerderij van Lagendijk, met zijn 45 hectare grond, staat sinds kort een megastal voor 16 duizend varkens.

Lagendijk wilde een open, transparante stal voor zijn koeien. Diervriendelijk. Mensvriendelijk ook. Vanaf de weg kijk je de stal in. Een moeder loopt met haar kind binnen zonder zich te melden, en wijst op een brug naar de koeien onder hen. Zo is het bedoeld.

Niet uitbreiden was geen optie. De lasten van de overname – hij kocht het bedrijf van zijn vader en oom – drukken; de oude stal, met asbest, is aan vervanging toe. De provincie Noord-Brabant eist dat boeren, eerder dan in de rest van Nederland, in 2022 hun oude stallen aan de milieu-eisen hebben aangepast. De druk is hoog. „Groei is geen doel op zichzelf, maar ik wil wel een fatsoenlijk inkomen verdienen. Dat lukt niet zonder uitbreiding.”

Lees ook: Rekenkamer: regels tegen milieuvervuiling door mest werken averechts

Hij rekent voor. Wat is de gemiddelde literprijs volgens de bank, hoeveel liter moet je melken voor een veilige marge, zodat je ook bij een lage melkprijs je leningen kan aflossen en uit de kosten komt. 2,7 miljoen liter per jaar moet hij melken. Met 250 koeien haalt hij dat. Zo zat hij ook met de bank te rekenen. Die ging mee, de bouw kon beginnen. In september 2015 was zijn stal klaar.

Wat Lagendijk niet zag aankomen was een nieuwe beperking, maar nu op mest. Om de Europese normen voor de uitstoot van fosfaat te halen en van het mestoverschot af te komen, moet de Nederlandse veestapel krimpen. Voor Lagendijk betekent dat: terug naar het aantal koeien dat hij in 2015 had met daarbovenop een korting van 8 procent. Dat kwam neer op 138. Hij heeft nu 200 melkkoeien.

Lagendijk ging in beroep en verloor. Hij wist niet van het mestquotum, zegt hij. Maar hij had het kunnen zien aankomen, zegt de rechter. Net als honderden andere boeren zit Lagendijk nu knel: als hij zijn koeien houdt, pleegt hij een economisch delict. Als hij ze wegdoet, komt er te weinig binnen om uit de kosten te komen en gaat hij failliet. Terwijl hij nu, met 200 koeien, al wankelt.

In deze houdgreep staat hij elke dag om zes uur op om de draadjes te verzetten.

Niet netjes

Het is niet moeilijk om een boer kwaad te krijgen. Tegenstrijdige regels, inconsequent beleid, onduidelijke vergunningseisen, politici die wel heel makkelijk roepen dat de veestapel gehalveerd moet: frustraties genoeg om met een gierwagen naar het Provinciehuis of het Binnenhof te willen rijden. Rik Lagendijk lijkt eerder verbaasd dan boos. Hij heeft het over „niet netjes”. Hij nodigt politici en ambtenaren uit om hun zijn bedrijf te laten zien. Dan vertelt hij hoeveel meer melk zijn koeien geven in de nieuwe stal. Dat ze minder stram zijn en minder klauwproblemen hebben. Hoeveel ouder ze worden. Hoe rustig de dieren zijn.

Een voorbeeld voor de sector, hoort hij dan. „Als ze hier rondlopen, vinden ze het prachtig, de volgende dag kunnen ze niks meer voor me doen.” Ze zijn niet onwelwillend, zegt Lagendijk, maar regels zijn regels. „En van de bank krijg ik veel schouderklopjes, veel positiviteit, maar als ik niet meer aflos zit ik snel bij de afdeling Afwikkeling.”

Dat is geen doemdenken. Hij ziet het om zich heen. Lagendijk somt ze op, de boeren in de buurt die stoppen of afbouwen omdat het boeren niet meer rendeert of omdat ze ontmoedigd worden door de druk om tonnen te steken in duurzame stallen die ze misschien niet terugverdienen. De stallen staan leeg of worden afgebroken. „Dat is toch ook niet wat je met het landschap wilt?”

Rik Lagendijk praat veel met zijn vrouw, die ook de administratie doet. Hij ligt nooit wakker, zegt hij, „maar als de spanning oploopt, zeg ik niet zoveel. Ik wil haar er niet te veel mee belasten. Ik denk weleens: waar heb ik haar in gestort?”

Bijna elke dag belt hij met een collega, die op zijn beurt Rik belt als hij een pesthumeur heeft.

En dan weer door.

Je moet nadenken over de toekomst terwijl je niet weet of er nog een toekomst is

Lagendijk loopt langs de kalveren. Hij kruist Holstein met Montbéliarde en roodbonte koeien. „Die nieuwe koeien worden ouder en blijven langer gezond, omdat je geen inteelt hebt.” Met wetenschappers uit Wageningen onderzoekt hij of kalfjes die bij de kudde blijven, beter af zijn. De helft blijft bij de moeder, de andere helft staat in iglootjes op het erf. Hij denkt na over andere manieren om meer geld voor zijn melk te krijgen. Geheel volgens de nieuwe landbouwvisie van minister Schouten (Landbouw, ChristenUnie): nieuwe verdienmodellen zoeken, lokaal produceren, met streekproducten meerwaarde creëren. Het levert alleen nu nog niks op.

„Het dubbele is: je moet nadenken over de toekomst terwijl je niet weet of er nog een toekomst is.” Hij moet plannen maken voor de renovatie van de ligboxenstal, maar de dagelijkse praktijk bestaat vooral uit „het management van crediteuren”. Bellen en mailen of de rekening wat later of in termijnen betaald kan worden. „En je stelt kosten uit. De kalfjes zullen nooit nat liggen, maar je wacht toch net wat langer met nieuw zaagsel. Reparaties laat je wachten, in de hoop dat de melkmachine niet kapot gaat en je nog verder van huis bent.”

Rik Lagendijk runt zijn bedrijf anders dan zijn vader en zijn oom – maar niet totaal anders. „Mijn vader stond ook altijd open voor verandering en experimenten. Dit was altijd al een proefboerderij.” Het verschil is: in die tijd lag de nadruk op méér. Zo efficiënt mogelijk zo veel mogelijk produceren tegen een zo laag mogelijke kostprijs. Nu is er meer aandacht voor natuurbeheer, kringloop, biodiversiteit. „Ik ben een beetje van beide. We leggen bloeiende akkerranden aan, we lokken vogels en vleermuizen met erfbeplanting en nestkasten. De gecomposteerde houtsnippers uit de vrijloopstal gaan als bodemverbeteraar naar fruittelers in de buurt. Maar ik wil ook produceren. Het is mooi om te zien dat de koeien meer melk geven in de nieuwe stal.”

De dagen vliegen voorbij. Koeien naar buiten laten, melk voor de kalfjes klaarzetten, checken welke koeien nog niet gemolken zijn en die naar de robot brengen, drachtige koeien ‘droogzetten’ zodat ze niet meer gemolken worden, biest afmelken als er net een kalf is geboren, de mestschuif doorsmeren, met de veearts rondlopen, de klauwenkapper en de voederleverancier ontvangen. Dan is het zomaar weer zes uur.

Soldaat van Oranje

Lees ook: De boer moet beter op de natuur letten

En zo vliegt ook het jaar voorbij, met hooguit een week zomervakantie met de kinderen en eens in de paar jaar een weekendje weg met z’n tweeën. Laatst een dagje met het gezin naar Soldaat van Oranje – dat stond al zo lang op het lijstje. „En ik mag graag mountainbiken, maar dat staat nu even op een laag pitje.”

Nog afgezien van de tijd die het kost, zit het inkomen ook even niet mee. Het afgelopen jaar bleef er 25.000 euro aan inkomen over, voor werkweken van vaak meer dan 60 uur.

In de kantine hangt een foto van vier jaar geleden. Rik Lagendijk met zijn vader, bij de opening van de nieuwe stal. „Laatst was hier een leverancier. Hij zag die foto en zei: goh, je hebt een oude kop gekregen. Zo voelt het ook. Alsof ik in vier jaar tien jaar ouder ben geworden.”

Zijn vader is vorig jaar overleden, over zorgen van Rik over de toekomst hadden ze het niet al te vaak. Hij staat trots naast zijn zoon, in de nieuwe stal. „Ons pa had altijd het vertrouwen dat we het gingen oplossen.”