Familie verdreven keizer zet Berlijn onder druk

Vorstengeslacht Hohenzollern De nazaten van Duitslands laatste keizer, Wilhelm II, eisen teruggave van duizenden kunstwerken en andere kostbare bezittingen.

De Hohenzollern eisen het mede-gebruiksrecht van Cecilienhof, waar Truman, Churchill en Stalin bijeenkwamen voor de Conferentie van Potsdam.
De Hohenzollern eisen het mede-gebruiksrecht van Cecilienhof, waar Truman, Churchill en Stalin bijeenkwamen voor de Conferentie van Potsdam. Foto Clemens Bilan/EPA

De 43-jarige ondernemer die in 2017 het Pruisische biermerk Preußens Pilsener op de markt bracht (met de leus ‘Majesteitelijk genot’) is een Pruisische prins. Deze Georg Friedrich, achter-achter-kleinzoon van de in 1918 naar Doorn gevluchte keizer Wilhelm II, staat ook aan het hoofd van het eeuwenoude vorstenhuis Hohenzollern. In die rol blijkt hij in een harde en escalerende strijd met de Duitse overheid te zijn verwikkeld.

Ook al is de laatste Duitse keizer al meer dan 100 jaar geleden tot aftreden gedwongen, zijn nazaten hebben zich nog niet helemaal neergelegd bij de loop van de geschiedenis. Ze azen niet op herstel van de monarchie. Ze zijn uit op teruggave van duizenden kunstwerken, meubels, boeken, brieven en kostbaar porselein uit voormalig keizerlijk bezit.

Ook eisen ze, onder leiding van de prins, schadevergoeding voor onteigeningen. Ze willen in een voormalig paleis kunnen wonen en inspraak bij de opzet van een museum rond hun dynastie.

Georg Friedrich met zijn vrouw prinses Sophie van Pruissen.

Foto Ronny Harmann/AFP

De erfopvolger van de verdreven keizer heeft de Duitse autoriteiten zelfverzekerd een indrukwekkende verlanglijst voorgelegd. Daarmee lijkt hij vaart te willen zetten achter onderhandelingen die al sinds 2014 blijken te lopen.

Volledig negeren kan Duitsland de eisen niet. Daarvoor staat de familie juridisch te sterk. (Het Nederlandse ministerie van Cultuur heeft overigens geen verzoek tot restitutie van keizerlijke bezittingen in Doorn ontvangen, aldus een woordvoerder.)

Aanvankelijk verliepen de onderhandelingen in Berlijn zonder publiciteit. Maar toen deze maand bekend werd wat de Hohenzollern allemaal verlangen, leidde dat tot verbijstering en ongeloof. Steekt de beruchte overmoed van hun voorvaderen nu weer de kop op? In de Frankfurter Allgemeine Zeitung werd de familie een „monumentale misrekening van de republikeinse pijngrens” verweten. Een public-relations-debacle.

Onder de betwiste kunstwerken zijn schilderijen van vader en zoon Cranach, onder de meubelstukken de stoel waarin Frederik de Grote is gestorven en het beroemde Neuwieder Kabinet van de 18de eeuwse meubelmaker David Roentgen. Bijna alle kunstwerken bevinden zich nu in musea in en om Berlijn. ‘Mede-gebruiksrecht’ eist de familie voor Cecilienhof, vooral bekend omdat daar na het einde van de Tweede Wereldoorlog Truman, Churchill en Stalin bijeenkwamen voor de Conferentie van Potsdam.

Afgeslacht

Er zijn vorstenhuizen die er na een revolutie aanmerkelijk berooider voor stonden dan de Hohenzollern - of het zelfs niet meer na konden vertellen, zoals de Russische tsarenfamilie die werd afgeslacht. Nadat keizer Wilhelm II aan het eind van de Eerste Wereldoorlog door de Novemberrevolutie van 1918 tot aftreden was gedwongen, kon hij niet alleen rustig doorleven in het Nederlandse Doorn. Zijn nazaten konden blijven beschikken over huizen, paleizen en kunstwerken, die deels nog altijd in familiebezit zijn.

Dat was vooral te danken aan de milde wijze waarop de keizerlijke familie werd behandeld door de Republiek van Weimar (1918-1933). Linkse partijen wonnen in 1926 ruimschoots een referendum om de keizerlijke familie volledig te onteigenen – met 14,5 miljoen van de 15,6 miljoen uitgebrachte stemmen. Maar president Hindenburg en zijn conservatieve regering bepaalden dat dit op gespannen voet zou staan met de grondwet. Daarop werd het onteigeningsplan afgeblazen.

In een gedetailleerd contract werd vastgelegd dat de voormalige keizerlijke familie kon blijven beschikken over tientallen kastelen, landhuizen en landerijen. De kinderen en kleinkinderen kregen het recht te wonen in Cecilienhof, waar de familie nu weer aanspraak op maakt.

Het Cecilienhof in Potsdam.
Foto Clemens Bilan/EPA
Foto Clemens Bilan/EPA
Cecilienhof in Potsdam.
Foto Clemens Bilan/EPA

Na de Tweede Wereldoorlog lagen de meeste paleizen en landerijen van de familie in de zone die bezet was door de Sovjet-Unie – die overging tot massale onteigening van grootgrondbezit. Maar na de Duitse eenwording in 1990 konden voormalige bezitters aanspraak maken op een schadeloosstelling en op zijn minst de inventaris terugeisen.

De vraag is nu of de familie van de voormalige keizer, die tevens koning van Pruisen was, juridisch wel dezelfde aanspraken kan laten gelden als andere families die onteigend zijn. Het onderscheid tussen staatsbezit en privébezit is bij vorsten vaak moeilijk te maken. En hoeveel van de kunstschatten zijn in de loop der eeuwen in de familie terechtgekomen door uitbuiting van de onderdanen?

Daar komt voor de Hohenzollern nog een probleem bij: hun opstelling in de tijd van de nazi’s. Families die Hitlers „nationaalsocialistische systeem aanmerkelijke hulp” hebben verleend kunnen volgens de wet geen aanspraak maken op teruggave of vergoedingen. En zoals foto’s pijnlijk duidelijk maken heeft met name de zoon van de verdreven keizer, de in 1923 naar Duitsland teruggekeerde kroonprins Wilhelm, zich bepaald niet van de nazi’s gedistantieerd.

Op 21 maart 1933, de ‘Dag van Potsdam’, poseerde hij met rijkskanselier Hitler bij de openingsceremonie van de nieuwe Rijksdag. Zo symboliseerde hij continuïteit tussen keizerrijk en nationaal-socialisme – een propaganda-zege voor het nog jonge bewind van de nazi’s.

Deze historische achtergrond maakt het voor de Hohenzollern niet aantrekkelijk de strijd met de overheid te laten uitlopen op een proces. Dan zou alle vuile was in het openbaar behandeld worden.

Keizer Wilhem II, de laatste Duitse keizer die uiteindelijk in Doorn terechtkwam.

Foto Wikipedia

Ook de Duitse overheid heeft er belang bij in goed overleg een vergelijk te vinden. Want honderden kunstwerken die onbetwist eigendom van de familie zijn, hangen in verschillende Duitse musea. Een aantal bruikleencontracten heeft de familie inmiddels opgezegd, waardoor prins Georg Friedrich bij wijze van spreken zo bij musea als Slot Charlottenburg in Berlijn kan langskomen om enkele schilderijen van de muur te halen. Voor het imago van de Hohenzollern zou dat misschien niet goed zijn, maar juridisch hebben ze die mogelijkheid.

Wat de ex-royals van plan zijn met de voormalige bezittingen is niet duidelijk. Willen ze het te gelde maken, zoals ze in 2015 een oud harnas lieten veilen? Of gaat het ze er om via tentoonstellingen meer aandacht te kunnen vestigen op de pracht en praal van de Hohenzollern-dynastie?

Op dat laatste zou de wens wijzen om betrokken te worden bij een museum over het vorstengeslacht. Daarop is meteen scherpe kritiek gekomen. Het zou betekenen dat de Hohenzollern mogen meepraten over de beeldvorming van hun eigen familie in de geschiedenis.