Opinie

Belast een barende vrouw niet met extra tijdsdruk

kraambed

Commentaar

Het aantal ziekenhuisafdelingen voor acute verloskunde voor alle typen ziekenhuisbevallingen slinkt. Ze worden geconcentreerd op één locatie. Dat is efficiënt, kostenbesparend en het verlicht het aanhoudende personeelstekort. Bovendien richtten de uitverkoren ziekenhuizen uitgebreid geoutilleerde afdelingen in, die dag en nacht worden bezet door een compleet ‘geboorteteam’, met specialisten, verpleegkundigen, kinderartsen en gynaecologen, plus operatiekamers, intensive-care-voorzieningen en een laboratorium. Heel mooi en heel veilig, dus. Tenminste, als de aanstaande moeder in een grote stad woont of in de buurt van het provincieziekenhuis.

Komt ze uit een kleinere gemeente, dan is ze de pineut. Want is ze aangewezen op een ziekenhuisbevalling, dan moet ze verder weg. Voor acute noodgevallen, zo’n 5 procent van alle bevallingen, is er de ambulance. Meestal zal een taxi of privéauto uitkomst moeten bieden. Waarbij het te hopen is dat er iemand chauffeert, want zelf rijden met weeën is geen pretje. Dat daar extra reistijd mee gemoeid is, zien de ziekenhuiskoepels niet als probleem. Alleen wie zelf nooit een wee heeft gehad, praat er zo luchtig over.

Verloskundigen wezen al op extra risico’s. Tijdverlies kan cruciaal zijn. Maar los daarvan: bevallen is een uitermate fysieke toestand met onvoorziene aspecten. De noodzaak om langer te reizen leidde al tot een horrorverhaal over een vrouw met weeën in de trein. En zij had geluk. Brekende vliezen in het ov, je moet er niet aan denken.

Bevallen doe je thuis, daar komt het nu op neer. En dat beantwoordt aan de faam van Nederland waar, in tegenstelling tot de rest van Europa, het thuisbevallen wordt aangemoedigd als de beste methode. Het zou intiemer zijn, vertrouwder. Een bevalling is ‘de gewoonste zaak van de wereld’, en het ziekenhuis ‘medicaliseert’ het baren van een kind onnodig. Maar hoe reëel is dat? Landelijke cijfers wijzen uit dat tegenwoordig ruim tweederde van de vrouwen in het ziekenhuis baart, van wie, volgens cijfers uit 2015, 13 procent poliklinisch. Het lijkt erop dat de aanstaande moeders en vaders, nog los van het gedoe met een bevalling thuis, de veiligheid van een ziekenhuisbevalling prefereren. Dertien procent kiest voor een thuisbevalling, voor wat het waard is. Bij een eerste kind klaart bijna de helft van de aanstaande moeders de klus alsnog in het ziekenhuis.

Wie om welke reden dan ook op enig moment tijdens haar bevalling besluit dat ze naar een ziekenhuis wil, zal zich wel twee keer bedenken als ze in een kleinere gemeente woont. Want het kost tijd en is zij er niet al te erg aan toe, dan moet ze zichzelf vervoeren.

De reden dat de verschillende acute geboorteafdelingen gesloten worden en gebundeld in één van de grotere stadsziekenhuizen, is niet een daling van het aantal geboorten. De keerzijde is hogere tijdsdruk bij een doorslaggevende gebeurtenis die een bevalling altijd is. Dat brengt onveiligheid met zich mee, met alle emotionele belasting die daarbij hoort.

In de concentratieconstructie wordt er bij elk probleem per definitie uitgeweken naar een maximaal opgezette, kostbare voorziening – ook als het zo’n vaart niet loopt. Dat is efficiënt noch economisch en eigenlijk overdreven. Vooral menselijk gesproken lijkt een beperkt bevallingsteam in een ziekenhuis dichtbij de betere oplossing. Is het kind geboren dan kunnen moeder en kind zonodig alsnog verplaatst worden. Met een stuk minder stress.