Anner Bijlsma: charmante cellist met anti-autoritaire inslag

Anner Bijlsma 1934-2019 Anner Bijlsma was een specialist in de oude muziek. Zijn interpretaties van Beethoven en vooral Bach maakten hem een wereldberoemd en invloedrijk cellist. Door een spierziekte moest hij uiteindelijk stoppen met spelen.

Cellist Anner Bijlsma in 2014.
Cellist Anner Bijlsma in 2014. Foto Andreas Terlaak

Cellisten zijn gezellige en aardige mensen, maar ook een tikje ijdel dankzij de prachtige ronde toon die ze produceren. Varianten op deze stelling mocht Anner Bijlsma, die donderdag op 85-jarige leeftijd overleed, in interviews en gesprekken altijd graag verkondigen. Zelf was hij wellicht de charmantste cellist van allemaal, en zeker de beroemdste Nederlandse cellist van de afgelopen halve eeuw.

Bijlsma, geboren in Den Haag in 1934, begon als jonge huiskamercellist in een informeel strijkkwartet van zijn vader. Hij studeerde bij de beroemde Carel van Leeuwen-Boomkamp, en won in 1959 de Casals Competitie in Mexico. Hij speelde moderne muziek in een ensemble met onder anderen pianist Reinbert de Leeuw, en voerde van 1962 tot 1968 de cellosectie van het Concertgebouworkest aan, al had Bijlsma vaak moeite met de maestro op de bok: „Ik vind het dubieus als je een ander wilt vertellen wat hij moet doen. Dat vind ik gewoon op straat ook al vervelend.”

De oude muziek zou zijn belangrijkste terrein blijken. Hij specialiseerde zich in het zeventiende- en achttiende-eeuwse repertoire, en maakte zich de nieuwe historische speelinzichten eigen in een sterrentrio met blokfluitist Frans Brüggen en klavecinist Gustav Leonhardt. Ook richtte hij het darmsnarengezelschap Archibudelli op met zijn vrouw, de violist Vera Beths. Hun dochter is de fotograaf en documentairemaker Carine Bijlsma.

Met zijn interpretaties van Beethoven, Boccherini en bovenal Bach werd hij wereldwijd het beroemdst. Hij nam de zes cellosuites van Bach voor het eerst op in 1979. Stuwend dansant, weinig legato, nauwelijks vibrato: een fameuze platenset die brak met de romantische uitvoeringstraditie, en die nog decennia later ook fameuze leerlingen als Pieter Wispelwey – met wie de relatie overigens stroeve kanten kende – zou beïnvloeden.

Lees het interview met Anner Bijlsma uit 2014 terug: ‘Cellisten zijn nu eenmaal ijdel’

'Retorisch sterk'

Over de retoriek in de muziek van Bach raakte hij nooit uitgesproken. Bijlsma noteerde zijn opvattingen onder meer in The fencing master, een boek over de op- en afstreken in de cellosuites van Bach. Hij vertelde aan deze krant: „Dat deed ik omdat ik vond dat Bach slecht werd uitgevoerd. Die muziek zit retorisch sterk in elkaar, maar dat moet je met streekvariaties duidelijk maken. Dus in de eerste suite niet alles onder één boog gladstrijken. Een van de ergste ontwikkelingen in de muziek is het vak solfège, waarin je leert om precies uit te voeren wat er staat. Maar niet elke kwartnoot is even lang, dat hangt maar net van de zinsbouw af. Vergelijk het met het reciteren van poëzie.”

Zijn muzikale pioniersrol in combinatie met zijn bescheiden voorkomen en natuurlijke charme maakten hem breed geliefd, al bleef een echte revolutie in streekvoering na het verschijnen van The fencing master uit. Zonder de inzet en het netwerk van Anner Bijlsma was de Cello Biënnale van zijn leerling Maarten Mostert in elk geval nooit goed van de grond gekomen, zoals artistiek leider Mostert zelf ruimhartig toegaf. Het tweejaarlijkse evenement in Amsterdam bleek meteen het grootste cellofeest ter wereld – cellisten zijn meestal gezellige mensen. Naar Bijlsma is ook de Anner Bijlsma Award vernoemd.

Wellicht ging Bijlsma te lang door met concerten geven; het niveau van zijn spel ging door fysieke omstandigheden langzaam maar gestaag achteruit. Op de allereerste Cello Biënnale gaf Anner Bijlsma zijn allerlaatste concert. Op een vroege ochtend in oktober 2006 speelde Bijlsma Bachs Eerste suite voor solocello in Muziekgebouw aan ’t IJ. Een progressieve spierziekte maakte het hem toen al onmogelijk om zijn ringvinger te gebruiken. „Ooit beweerde ik hoe makkelijk die eerste suite is, maar nu was ik blij dat ik het einde haalde”, blikte Bijlsma in 2014 in NRC Handelsblad terug. „Het was het type concert waarvan men later zei: het deugde van geen kant met die ouwe muzikant, maar het had tóch karakter. Ik ben thuis nog lang doorgegaan, in het donker, tot ik bang was dat de cello uit mijn vingers zou vallen.”