Brieven

De tijd voor een nieuwe grondwetswijziging lijkt daar

Foto Koen van Weel/ANP

Sinds de grondwetswijziging van 1917 heeft het bijzonder onderwijs op godsdienstige grondslag bestuurlijke vrijheid en dezelfde financiële rechten als openbaar onderwijs. Het voortdurend veranderen van de samenleving kan het onvermijdelijk maken de Grondwet weer aan te passen (Hoe houdbaar is artikel 23 nog?, 20/7).

Zo’n moment lijkt aangebroken, als gevolg van de secularisering, en de komst van de islam en eventuele maatschappelijke problemen die daarmee gepaard gaan. De politiek debatteert over een aanpassing van artikel 23 van de Grondwet, omdat godsdienst geen hoofdrol meer heeft in het bijzonder onderwijs. Men vreest dat leerlingen van islamitische scholen opgesloten zitten in een parallelle samenleving, en dat onderwijs in burgerschap er tekort schiet. Dat kan hun integratie en functioneren in een steeds diversere samenleving bemoeilijken. Het is dus tijd een einde te maken aan onderwijs op basis van godsdienst, en de nadruk te leggen op de gezamenlijke en identieke vorming in de basiswaarden van een democratische samenleving. Onderwijs in burgerschap dus. Daarin moet wel wettelijk ruimte zijn voor alle soorten godsdienstonderwijs. Omdat dankzij de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs sinds 1996 steeds meer scholen eigen besturen hebben, zou artikel 23 de noodzaak van die verzelfstandiging en een plaats voor ouders uit de verschillende denominaties in de besturen moeten vastleggen. In dat nieuwe artikel 23 moet de vrijheid van onderwijs op basis van specifieke pedagogische grondslagen wel gehandhaafd worden.


historicus