De zombie als hersenloze consument kent een lange filmgeschiedenis

Achtergrond De zombie als symbool van verdwaasd, op hol geslagen consumentisme kent al een lange geschiedenis. ‘The Dead Don’t Die’ van Jim Jarmusch haakt daarop aan.

Iggy Pop wil een bakje koffie in ‘The Dead Don’t Die’.
Iggy Pop wil een bakje koffie in ‘The Dead Don’t Die’. Foto Frederick Elmes / Focus Features

In Jim Jarmusch’ The Dead Don’t Die schuifelen zombies ouderwets traag het dorp Centerville onder de voet. Retro-zombies van de generatie Iggy Pop (72) eigenlijk, die weinig make-up nodig heeft als hij zich uit het graf klauwt, bij een serveerster de darmen uitrukt om daarna de koffiekan aan zijn lippen te zetten onder het grommen van ‘koffie’.

Andere zombies mompelen ‘chardonnay’ en ‘xanax’, ‘wifi’ en ‘snoep’. Zombies, dat zijn wij: gehersenspoelde, in een verdoofde routine levende consumenten. Leven of dood: het is een gradueel verschil.

De zombie staat al symbool voor de 20ste-eeuwse massamens sinds een halve eeuw geleden de ‘tweede zombiegolf’ door de bioscopen spoelde. Uit die tijd stamt Jarmusch’ slappe schuifelzombie; het nieuwe, 21ste-eeuwse zombiemodel is snel en sterk, soms bijna een supermens. En niet noodzakelijk dood. Deze atletische zombie trad in 2002 op de voorgrond in actieserie Resident Evil en Danny Boyles 28 Days Later, waar strijdvirus Rage het Verenigd Koninkrijk besmet met hondsdolheid en Europa eenzijdig besluit tot een Brexit.

George A. Romero

Die ‘agile zombies’ kan je herleiden tot The Crazies (1973) van cultregisseur George A. Romero: een chemisch wapen verandert daar dorpelingen in maniakken. Zoals de massale, trage zombiehorde van The Dead Don’t Die teruggrijpt op Romero’s Night of the Living Dead (1968) en Dawn of the Dead (1978).

In die laatste film is de zombie al een hersenloze consument: een winkelcentrum wordt het strijdperk van mensen en zombies. Wat levende doden daar zoeken? Het is instinct, denkt een overlevende. „Dit was een belangrijke plek in hun leven.” In het met sadistisch wapengeweld gezuiverde winkelcentrum beleven de overlevenden daarna een kort geluksmoment van hyperconsumptie, met onbeperkt bontmantels, duur eten en videogames. Tot een plunderende motorbende binnenvalt en een tweede veldslag losbarst om de schaarse consumptiegoederen. „They’re us, that’s all”, verzucht de held. De doden lopen op aarde omdat de hel al vol is.

In de ‘zombiecalyps’ van Romero en zijn navolgers is de sociale orde fragiel en blijkt de medemens net zo’n plaag als zombies. Het genre bloeide niet toevallig op in de jaren zeventig, toen hedonisme en escapisme een onbevredigend antwoord boden op de ondergang van eigen makelij die zich overal aftekende: door terreur, misdaad, drugs, stagnatie, milieurampen, kernwapens. De zombiecalyps bood een vehikel voor linkse maatschappijkritiek, maar fungeerde ook als Dag des Oordeels. Zombiefilms eindigen vaak in een idyllisch dorp waar uitverkorenen een nieuw en puur Amerika stichten. Zombies als straf voor onze zonden: de stad valt altijd als eerste.

Lees hier de recensie van ‘The Dead Don’t Die’

De filmgeschiedenis kent drie zombiegolven: die van de jaren dertig, de jaren zeventig en de 21ste eeuw. Aanvankelijk was de zombie niet ons, maar ‘De Ander’: zwarte, halfdode slaven die volgens bloedstollende Victoriaanse reisverslagen en pulpromans in het Caribisch gebied rondwaarden dankzij voodoo en enge drankjes. Haïti gold als epicentrum, een natie die zich immers nogal verdacht zelf uit slavernij had bevrijd.

White Zombie was de eerste zombiehit in 1932: de zwarte folklore wordt in die film werkelijk problematisch als voodoomeester Murder Legendre (Bela Lugosi) een maagdelijke blondine zombificeert. In de jaren daarop vielen talloze blanke dames ten prooi aan „weird black magic that the white man seldom sees” (I Walked With a Zombie, 1943).

Die angst voor ‘primitieve volkeren’, rassenvermenging en koloniale revanche heeft weinig gemeen met de kannibalistische horde die George A. Romero in 1968 in Night of the Living Dead in de bioscopen losliet. Romero werd eerder geïnspireerd door horrorstrips waarin legers zombies zich wreken op de levenden. Die massificatie van de zombie na 1945 verbindt de schrijver Roger Luchhurst in Zombies: A Cultural History met de schok van de massale sterfte door atoombom en concentratiekamp en angst voor de geïndoctrineerde hordes nazi’s, Japanners of Chinezen.

In Night of the Living Dead staat de zombiecalyps voor een totale sociale implosie: kinderen werpen zich op hun ouders, geliefden verorberen elkaar. In een verlaten boerderij belegeren zombies een verdeeld plukje mensen. Als de verlossing zich in het ochtendlicht aandient, blijkt dat een lynchmeute van rednecks te zijn die de enige zwarte overlevende alsnog executeert.

In de loop van de jaren zeventig gaf de zombiefilm, vooral bij Italiaanse epigonen, een vrijbrief voor ‘splatter’: het wellustig inzoomen op breinweefsel en ingewanden. Dat ging op den duur toch vervelen: halverwege de jaren tachtig deed de ironische ‘zomkom’ – zombiekomedie – zijn intrede, met clowneske levende doden die in The Return of the Living Dead (1985) na het verorberen van een peloton agenten zelf de politiecentrale bellen: ‘Send more cops!’

Zin in nog meer horror? Deze week komt ook het macabere ‘Midsommar’ uit

In de zorgeloze jaren negentig werd het even stil rond de levende doden: zij handhaafden zich als schietvlees in videogames. Tot na 9/11 de derde, en krachtigste zombiegolf losbarstte, met honderden survivalfilms en tv-series, boeken, strips en – voor het eerst in 2001 in Sacramento – massale ‘zombie walks’. De zombie is hét horroricoon van de 21ste eeuw.

Het is verleidelijk, en vermoedelijk terecht, die comeback te verbinden aan de terugkeer van het doemdenken. Opnieuw lijken we van crisis in crisis te rollen en loert de Apocalyps in steeds nieuwe vormen: terreur, kredietcrisis, milieucatastrofe, pandemie en massale immigratie. Voor dat laatste staan zombies in de trumpiaanse angstdroom World War Z (2013). Zombies gedijen daar slechts in warme klimaten, het Westen slaat de handen ineen met boreale Russen en alleen een torenhoge muur kan Israël – tijdelijk – van Arabische zombiehorden redden.

Inmiddels evolueert de zombie, zoals eerder de vampier, tot sympathiek slachtoffer of zelfs held. Eens te meer nam George A. Romero daarin het voortouw: in Land of the Dead (2005) leren zombies nadenken en lopen ze het laatste bastion van westers ‘privilege’ onder de voet. In Fido (2006) komen tot slaaf getemde zombies in opstand, in ‘zombie-romkom’ Warm Bodies (2012) revitaliseert de liefde ze, in The Girl With All The Gifts (2017) eisen kinderzombies hun recht op leven op.

De zombie is niet langer zoals wij, hij is de toekomst. „Fuck ’em”, mompelt kluizenaar Bob in Jim Jarmusch’ The Dead Don’t Die als Centerville valt. De mensheid verdient niet beter.