Recensie

Recensie Film

Van unheimlich naar macaber bij helder daglicht

Horror In ‘Midsommar’ belanden Amerikaanse studenten bij een heidense sekte. Ook de tweede horrorfilm van Ari Aster, die naam maakte met ‘Hereditary’, is een juweel.

Studenten op zoek naar leuke, maffe heidense rituelen.
Studenten op zoek naar leuke, maffe heidense rituelen. Foto Gabor Kotschy / A24

Heidendom, rituelen, verkleedpartijtjes: student Pelle nodigt zijn Amerikaanse vrienden uit voor wat een boeiende zomervakantie belooft te worden. Midzomernacht bij de maffe hippies van de Zweedse dorpscommune Harga, waar hij opgroeide. Daar voert men dit jaar een oeroude ceremonie op, geinig toch?

Student Mark fantaseert over vrijpostige Zweedse meisjes, antropologen Josh en Christian zien er wel een scriptie in, Christians vriendin Dani hoopt vooral op afleiding uit haar rouw: haar bipolaire zus bracht zichzelf en haar ouders om het leven.

Regisseur Ari Aster verblufte de wereld in 2018 met zijn debuut Hereditary: unieke, lugubere arthouse-horror die hij zelf als een familiedrama omschreef. Met zijn emotioneel verraad, morbide rouw en demonen was het een zeer persoonlijke film, aldus Aster, die verder niet in detail wilde treden.

Rouw is ook het uitgangspunt van de voortreffelijke opvolger Midsommar, die focust op Dani (Florence Pugh). Het verraad schuilt ditmaal in haar relatie met Christian: Aster spreekt ditmaal van een ‘break-up movie’. Dani is vastgedraaid in eindeloze huilbuien en legt emotioneel zwaar beslag op Christian. Die steunt haar meer uit plicht dan liefde: eigenlijk wil hij ontsnappen.

Midsommar bevat juweeltjes van ontwijkende ‘millennialspeak’: onder het mom van emotionele openheid liegt iedereen erop los. Een zomervakantie wil de zaken dan nog wel eens op scherp stellen, zo ook hier. Dat het Zweedse festival minder onschuldig uitpakt dan Pelle voorspiegelt, besef je al direct: door een lugubere beeldmontage van een kil Zweeds winterwoud en veilig Amerikaans Suburbia, door kubrickiaanse droneshots met omineuze muziek. Als het beeld in Zweden kantelt, is het reisgezelschap definitief in Onderstebovenland.

Vrij uniek voor horror is dat vrijwel alles zich bij helder daglicht afspeelt, door de lens van een slechte paddotrip. De zeven studenten – er zijn er ook twee uit Londen – treffen in het woud een net iets te gelukzalige commune. Iedereen draagt wit, er zijn runen, vreemde houten tempels, meisjes die met bloemenkronen rond de meiboom dansen. Maar hun gastvrije glimlach spoort niet helemaal. Wat is het geheim?

Midsommar is schatplichtig aan ‘folk horror’ over heidendom en hekserij, een uit de jaren zestig stammend genre dat Ari Aster met zijn al even getalenteerde collega Robert Eggers (The Witch, The Lighthouse) doet herleven. Inspiratie biedt vooral cultfilm The Wicker Man uit 1973, waarin de preutse christelijke politieagent Howie op zoek naar een vermist meisje ontdekt dat een Schots eiland in de greep is van een oversekste cultus die aan mensenoffers doet.

Ook in Midsommar strijdt weerzin met wellust, de vluchtreflex van de buitenstaander met een heimelijk verlangen naar overgave en inwijding. Dat de gasten een rol spelen in het ritueel, is wel duidelijk. Maar wie, wat, hoe?

Ari Aster exploiteert in Midsommar listig Amerikaanse huivering over Europa, met zijn oeroude tradities, seksuele vrijheid, collectieve solidariteit en euthanasie. Terwijl hij de anticipatie virtuoos opschroeft van unheimlich via onthutsend naar macaber, behoudt het Zweedse zomerkamp een naar soort bekoring. In Hereditary verscheurt een sekte een kerngezin, hier werpt het zich op als pervers alternatief. Je wordt onderhand toch wel nieuwsgierig naar de familie van Ari Aster.