’s Lands achterkant

Schrijver en kunstschilder wandelen acht weken langs de kust en doen verslag in woord en beeld. Afl. 3: Vlissingen-Rotterdam

Op Walcheren moet ik aan Nescio denken. Een prachtig breed strand, maar onherstelbaar besmet met de ‘huisjespest’. Al voortstappend realiseren we ons dat de hele kust van Vlissingen tot aan het Veerse Meer is volgeplempt met van die lullige strandhuisjes en – kotjes – alleen de Westkappelse Zeedijk bleef ervan verschoond. Klaarblijkelijk is de decentralisatie van de ruimtelijke ordening zo ver doorgevoerd dat een gemeente simpelweg het hele strand aan de meest biedende kan verkwanselen.

„Rothuisjes overal”, schreef Nescio zeventig jaar geleden in zijn Natuurdagboek. Alles wordt „door Jan Kallebas en andere klootzakken volgegoten met huissies”. „God zal ze eeuwig gloeiend nakend in de hel sansodemirakelen.”

Gelukkig maakt het volgende eiland, Schouwen, alles goed. Het strand wordt nog breder en wij raken steeds opgetogener. Geen huissie te zien hier! Het strand van Burgh-Haamstede is veruit het mooiste dat we tot nu toe tegenkwamen. Maar nog twee dagen later kun je ons waarachtig horen juichen aan het vlakke strand als we, ik zou het zelf niet geloven als ik er niet bij was, de Tweede Maasvlakte ronden, het industrie-eiland dat het begin vormt van de kolonisering van de Noordzee.

We volgen er een graspad, geplaveid met madeliefjes, door bomen overwelfd, het lijkt wel een holle weg. Bij een vogelkijkhut mag je niet verder, maar wij sneaken er fluks langs. En staan oog in oog met een eindeloos slikkenlandschap. Een streep zand, daarboven een dunne laag azuurblauw water, afgezoomd met een lage groene kartelrand, de kust van Voorne, en daarboven weer een lichtblauw uitspansel.

Geen huissies hier, geen mensen, niks. Voor ’t eerst hebben we een Robinson-achtig ontdekkingsreisgevoel. We scharrelen rond, bukken ons om de beurt om iets op te rapen - hier valt eindelijk ’ns wat te jutten, de stranden tot nu toe waren haast klinisch schoon. Jan wijst in de verte, opgewonden: „Een jan-van-gent! Kan niet missen. Ze zitten altijd een eind in zee, maar dat zitten we hier natuurlijk ook.”

Op weg naar het veer over de Nieuwe Waterweg staan we opnieuw versteld, dit keer vanwege de gigantische schaal van alles. Overal hermetische gebouwen, enorme kranen in slagorde, onafzienbare rijen vrachtwagens, dikke bundels spoorrails. Dit is de achterkant van Nederland, op deze vlakte wordt onze welvaart gebrouwen. Hier kom je niet zomaar, het doet denken aan zo’n verborgen wereld waarin een leger van robots of slaven in de weer is om de wereldheerschappij te veroveren voor een schurk of mad professor.

Maar uiteindelijk dan weer een lief pontje dat we op ’t nippertje halen doordat Jan een eindsprint inzet, waarna ze wachten tot ik aan kom sjokken. Betalen vergeet de jongen haast te vragen, zo enthousiast wil-ie alles over de haven vertellen. Welkom in Rotterdam.