Vrouwen de-escaleren volgens Cammaert beter dan mannen.

Foto LEX VAN LIESHOUT/ANP

Interview

‘Ik heb zelf gezien welk verschil vrouwen maken bij VN-missies’

Patrick Cammaert Vroeger liet hij op missie de vrouwen liever thuis, maar gaandeweg zag generaal-majoor buiten dienst Cammaert hoe waardevol ze zijn bij crises.

Het is een zeldzaam gezelschap binnen de muren van het militaire Centre of Excellence in Den Haag: 34 vrouwelijke officieren bij elkaar. Ze komen uit dertig verschillende landen en zitten samen in een zaaltje. Allen in uniform: een baret uit Nigeria, een pet uit Tsjaad. Verderop een gesluierde vrouw uit Somalië en een Britse zonder hoofddeksel op. Daarnaast een Nederlandse, een Indiase, een Peruaanse. De vrouwen luisteren aandachtig naar de enige man in de zaal: Patrick Cammaert, generaal-majoor der mariniers buiten dienst.

Cammaert – in pak zonder stropdas – spreekt de groep toe op de eerste dag van een twee weken durende Verenigde Naties-opleiding voor vrouwelijke officieren die worden uitgezonden naar missiegebieden. De generaal, een van de belangrijkste Nederlandse militairen van de VN, bedacht de Female Military Officers Course, die jaarlijks drie keer wordt gegeven. Deze maandagmiddag in juli begint de eerste editie in Europa.

De vrouwen leren basale dingen, zoals de volkenrechtelijke mandaten waarmee de VN werken. En ze krijgen praktische lessen, zoals gesprekstechnieken, om met de lokale bevolking contact te kunnen leggen, of om in een vroeg stadium seksueel geweld, ingezet als wapen in een conflict, te signaleren. „Het uitwisselen van ervaringen is heel belangrijk”, zegt Cammaert. „Juist voor vrouwen, die alleen al in hun eigen omgeving vaak hebben moeten vechten voor hun positie.”

Drie vrouwen mee

Cammaerts inzet voor vrouwen in het leger kenmerkt de laatste jaren van zijn carrière. Hij trad bijna vijftig jaar geleden in dienst bij Defensie en bekleedde verschillende commanderende functies. Een macho, niet bang om binnen de hiërarchie van Defensie zijn eigen weg te kiezen. Onder mariniers staat hij bekend als iemand die voor zijn mensen staat.

In 1992 leidde hij als commandant zijn eerste missie, in Cambodja. Er gingen 850 mannen mee en drie vrouwen. Maar als het aan Cammaert had gelegen, waren de vrouwen thuisgebleven. „Noem me preuts”, zegt hij, „maar het ontbrak aan aparte sanitaire voorzieningen, de hygiëne was slecht.”

Na die missie volgden uitzendingen naar Bosnië, Eritrea en Congo. In juni verscheen een boek over Cammaerts leven, met de door hemzelf gekozen titel Kijk niet weg’, opgeschreven door NOS-journalist Esther Bootsma. Het boek volgt de carrière van Cammaert en maakt duidelijk dat Cammaerts kijk op de inzet van vrouwen tijdens missies met de jaren radicaal veranderde.

Foto Evert-Jan Daniels/ANP

Je zou kunnen zeggen dat Cammaert een feminist werd. Dat kwam zo, vertelt hij in gesprek met NRC: „Vrouwen zijn essentieel op VN-missies. Zonder hen kun je veel minder aan community engagement, gemeenschapswerk doen.” En: „Tijdens mijn uitzendingen heb ik geleerd hoe belangrijk vrouwen zijn in crisisomstandigheden. Bij checkpoints, bijvoorbeeld. Vrouwen zijn minder opgefokt, lachen meer. De-escaleren beter. Hun aanwezigheid neemt direct spanning weg. Dat doen mannen heel anders.”

Het belang van meer vrouwen op missie zag Cammaert scherp tijdens zijn uitzending naar Congo (2005-2007). Daar zag hij de gruwelijke gevolgen van groepsverkrachtingen die er nadrukkelijk als oorlogswapen werden ingezet. Soldaten kregen de opdracht groepsverkrachtingen te plegen, omdat ze wisten dat het verwoesten van de levens van vrouwen een effectieve manier is om een hele samenleving te ontwrichten. Cammaert: „Slachtoffers van seksueel geweld – dat kunnen óók mannen zijn – praten alleen met vrouwen, die zullen daarover nooit met mannen praten. Zonder vrouwen mis je een enorme slag.”

Waarom is deze cursus zo belangrijk, wat leren vrouwen er?

„Het is de eerste VN-cursus speciaal voor vrouwen op dit niveau. In sommige landen die troepen leveren aan de VN moeten vrouwen in het dagelijks leven nog altijd drie passen achter een man lopen. Het kan gebeuren dat die mannen op missie ineens een vrouwelijke chef hebben. Hoe ga je daarmee om, als vrouw? Dat zijn waardevolle lessen. Wat ik heb geleerd: met vrouwen erbij, verandert alles: de patrouilles, de onderlinge cultuur, de sfeer. Uiteindelijk kijkt de lokale bevolking daardoor ook anders naar missies. Op een positieve manier.”

Toch is ook in Nederland het percentage vrouwen op missie, en bij Defensie in het algemeen, heel klein.

„In Nederland willen we wel meer vrouwen. Maar als ze op een leeftijd komen dat kinderen een rol gaan spelen, haken veel collega’s af. In Nederland is daarvoor gewoon niet genoeg geregeld, zoals kinderopvang. De VN in New York hebben een eigen kinderopvang, dat wordt vóór de werknemers georganiseerd. Is dat niet zo, dan krijg je het stereotiepe debat over wie de kostwinner wordt.”

Recent nog kwam Cammaert (69) in het nieuws. Eind 2018 werd hij door de VN naar Jemen gestuurd om toezicht te houden op het broze staakt-het-vuren tussen de Houthi-rebellen en de strijders aan de zijde van de Jemenitische regering, die al sinds 2014 met elkaar in oorlog zijn. Hij won het vertrouwen van de strijdende partijen, stak meermaals de frontlinie over. In zes weken kreeg hij de partijen drie keer bij elkaar.

Geen gemakkelijk opdracht, zegt hij, waar moeilijk mensen voor te vinden zijn. Toch is het volgens hem van groot belang dat juist de VN zich mengen in een complex conflict als in Jemen. „Het is de enige organisatie die dit kan”, zegt hij. „Het mooie van de VN is: dat zijn wij. We hebben met 193 landen afgesproken dat we er zijn voor vrede en veiligheid. En daar gaat het erom al die landen op één lijn te krijgen. Om uiteindelijk het lijden van mensen te verlichten, waar dan ook.”

Cammaert pleit, behalve voor meer vrouwen bij Defensie, ook voor meer internationale samenwerking. De generaal werkte aan het begin van deze eeuw als adviseur voor Kofi Annan, de hoogste baas van de VN, en bleef na zijn pensionering in 2007 aan de VN verbonden. De generaal is „nu eenmaal gestoken door de angel van de VN”, zegt hij zelf en raakte overtuigd van de noodzaak om internationaal gezamenlijk op te trekken voor vrede en veiligheid.

Ook dat is opmerkelijk in een tijd dat de VN juist aan gezag inboeten, en vaak als machteloos worden gezien. „Daarom blijf ik dit doen, als ze me vragen”, zegt hij. „De wereld kent al genoeg risicomijders, mensen die denken: als ik maar met al mijn eigen mensen terugkom, dan is het goed – of de opdracht krijgen om vooral de eigen mensen te beschermen. Maar dat idee werkt verlammend. Dan gaat het beschermen van jezelf vóór het beste doen in de situatie.”

Dat verlammende: is de politiek banger geworden?

„Ja, er is bij Defensie de laatste jaren nooit écht meer de wil geweest om troepen te leveren voor een VN-missie. We hebben Cambodja, Ethiopië en Eritrea gedaan, Srebrenica – en Srebrenica hoor je natuurlijk nog nadreunen.”

„Den Haag ziet liever een schone oorlog, de politiek vindt het vervelend om casualties te hebben. Dat is wel uit te leggen als het zelfverdediging is, maar minder makkelijk als je zelf pro-actief bent. Het gevolg is dat mensen niet beslissen om een situatie te verbeteren, maar om niemand te verliezen.”

Nederland heeft wel vijf jaar in Mali gezeten, een VN-missie.

„Ja, maar we zijn er helaas ook weer weg. De voorzichtigheid is toegenomen. Dit komt omdat ook de dreiging is toegenomen. Blauwhelmen zijn vaker doelwit, zeker in Mali. Daar was niet één vijand, maar allerlei vijandige groepen en jihadi’s. Juist dan is leiderschap nodig, moedige mensen die beslissingen durven nemen. De lokale bevolking verwacht dat de VN ze beschermen.”

De VN hebben een slechte reputatie als het gaat om vredesmissies: de organisatie is bureaucratisch, log. En militairen verwijten het ineffectiviteit.

„Ik bestrijd het idee dat je ineffectief bent met de VN. Als je begrijpt hoe de organisatie werkt, kom je er wel uit. En goed leiderschap, moedig en besluitvaardig, is van groot belang.”

Maar er zijn toch grote verschillen tussen de uitgezonden troepen.

„Ja, op missies zijn sommige ontwikkelingslanden minder goed getraind en hebben minder goede spullen. Maar ook veel westerse troepen komen hun kampen niet uit, omdat ze dat niet mogen van hun voorzichtige regeringen. En dat zijn goed getrainde landen hoor, die de mond vol hebben van hoe het wel moet.

„Het klinkt cliché, maar in het Westen hebben we het zo goed. Als je ziet wat voor een drama’s zich in de wereld afspelen, vind ik dat je wat opofferingsgezindheid aan de dag moet leggen.”

Als dat het uitgangspunt is: moet Nederland bijdragen aan een missie in Syrië op verzoek van de Amerikanen, al zou dat niet in VN-verband zijn?

„De VN worden alleen actief voor peacekeeping op uitnodiging van de staat zelf. Al denk je soms: is er wel een vrede om te bewaren hier? De VN doen niet aan peace enforcement, dat neigt naar oorlogsvoering. Wat je ook denkt over Syrië, er ís een staat. En die deed zo’n verzoek niet.

„Dus nee, ik zou dat niet doen. Ik zou buitengewoon terughoudend zijn als de VS vragen om militaire inbreng voor een bufferzone. Dat is geen peacekeeping, dat is warfighting, echt vechten.”

Wat moet Nederland dan wel doen?

„Op zijn eigen, bescheiden manier een steentje bijdragen. We hebben de juiste training, de juiste spullen en zeer bekwaam personeel. Ik snap dat het lastig is met te weinig manschappen en versleten middelen, maar ik kan me niet voorstellen dat er geen kleine eenheid te vinden is die je er even op uit kunt sturen om een VN-missie te ondersteunen. We hebben heel specialistisch personeel. Als dat al niet kan, wat dan nog wel?

„En ook: Defensie heeft te maken met een grote uitstroom van personeel. Die mensen zijn allemaal gekomen waarvoor ik ook ooit het leger inging: het avontuur. Als je ze dat niet meer biedt, dan moet je ook niet raar opkijken als ze weglopen.”

Nederlandse militairen werkzaam bij het Korps Commandotroepen (KCT) in actie tijdens een patrouille in Mali. Foto Evert-Jan Daniels/ANP